Nederland blijkt 10 miljard armer dan kabinet dacht

DEN HAAG, 29 OKT. Ten opzichte van zes weken geleden blijkt Nederland meer dan 10 miljard gulden armer te zijn dan het Centraal Planbureau toen dacht. De rekenmeesters van het kabinet hebben hun berekening van het nationaal inkomen met 2 procent neerwaarts bijgesteld.

Dat is maar een van de redenen waarom het CPB gisteren een geactualiseerde versie van de Macro-Economische Verkenningen (MEV) een alarmerend karakter heeft gegeven. Dat de verslechtering van de internationale economie aan Nederland voorbij zou gaan, was al niet te verwachten; maar Nederland is zwaarder door dit virus aangetast dan kabinet en CPB vorige maand dachten.

Toen het kabinet zijn Miljoenennota presenteerde - gebaseerd op de stand van zaken die het MEV toen bood - stond het Europees Monetair Stelsel (EMS) op zijn grondvesten te schudden; het is vervolgens aan ontploffingen niet ontkomen. Italië en Groot-Brittannie zijn voorlopig uit het EMS gewipt en de gevolgen zijn ook in Nederland voelbaar. Het Britse pond en de Italiaanse lire zijn in guldens uitgedrukt inmiddels 15 procent minder waard dan in de eerste helft van 1992; de Spaanse peseta is naar schatting met 11 procent in waarde gedaald. De gevolgen voor de Nederlandse exportpositie laten zich raden. Het is de keerzijde van een harde gulden.

Een minstens zo belangrijke factor-van-buiten is de ontwikkeling van de economie in Duitsland, met afstand Nederlands belangrijkste handelspartner. De groei van het bruto nationaal produkt in West-Duitsland bedraagt in 1992 en 1993 respectievelijk 1,25 en 2,25 procent, zei het CPB in september. Vergeet het maar, zegt het CPB in oktober: in beide jaren bedraagt de groei niet meer dan 1 procent. In het bijzonder de Europese landen met de harde munten, dus Duitsland, dus Nederland, worden getroffen door een tegenvallende groei.

Het kabinet “schaatst op dun ijs”, zei premier Lubbers al omstreeks die derde dinsdag. Het planbureau had voor de zekerheid in zijn verkenningen een sombere variant opgenomen voor het geval zich meer tegenvallers zouden voordoen dan voorzien; zes weken later stelt het CPB vast dat die variant nog niet somber genoeg was. Het kabinet is door het ijs gezakt en doet pogingen op het droge te krabbelen; de vraag die het CPB nu aan de orde stelt is hoe te voorkomen dat de reële economische verslechtering vrijwel volledig ten koste zal gaan van de winstgevendheid van de bedrijven.

Het alarmgehalte van de laatste CPB-uitdraai blijkt vooral uit de cijfers voor Nederland in 1993: de produktiegroei bedraagt 1 procent (prognose september 1992: 2,5 procent); de werkloosheid stijgt naar 510.000 personen in plaats van 485.000. Daar staat een meevaller tegenover die niet in alle opzichten een meevaller is: de inflatie die niet op 3,75 procent uitkomt, maar op 2,5 procent. Lagere prijzen dus, maar ook lagere belastinginkomsten. Het CPB rekent er maar vast op dat ook de loonstijgingen in de bedrijven volgend jaar tot 2,5 procent zullen worden beperkt. Dat wil zeggen: in 75 procent van de bedrijven; voor de rest zijn al duurdere CAO's afgesloten. Bij de overheid, neemt het CPB aan, zullen de lonen met 1,75 procent stijgen en de uitkeringen gaan niet met 2,5, maar met 1 procent omhoog. Bij alle aanvullende maatregelen die het kabinet heeft getroffen leidt dit tot een koopkrachtbeeld voor de burger dat eerder beter dan slechter wordt.

Blijft het probleem van de teruglopende rentabiliteit van de bedrijven. De grootste zorg is wellicht de ontwikkeling van de arbeidsinkomensquote; het aandeel van de factor arbeid in de kosten van de bedrijven. Die komt 2 procent hoger uit dan het CPB vorige maand dacht, neemt ten opzichte van 1990 met zelfs 4 procent toe en zit met 83,2 procent bijna weer op het niveau van 1987, het laatste internationale recessiejaar, het jaar van de beurskrach. Een contractloonstijging van 2,5 procent voor 75 procent van de bedrijven betekent een reële stijging van de arbeidskosten met ruim 3 procent in 1992 en bijna 3 procent in 1993. In beide jaren overtreft de toeneming van de arbeidskosten de produktie- en arbeidsproduktiviteitsgroei zeer ruim, constateert het CPB.

Het licht in het torentje van Lubbers mag 's avonds nog laat branden omdat hij collega's, werkgevers en werknemers over de vloer heeft; het neemt niet weg dat nationale maatregelen slechts voor een beperkt deel tot een oplossing kunnen leiden. De onverwachte verslechtering van de conjunctuur is “een wereldwijd fenomeen”, stelt het CPB. Met uitzondering van Japan, dat juist bezig is de overheidsuitgaven te vergroten, is voor de geïndustrialiseerde landen en zeker de Westeuropese, bezuinigen het parool. Ook dat leidt tot een verslechtering van de Nederlandse export (dit jaar 1,5 procent minder dan geraamd en volgend jaar 2,25 procent lager). Het kabinet is bezig maatregelen voor te bereiden om de gevolgen van internationale ontwikkelingen in te dammen met handhaving van de eigen begrotingsdiscipline; en verder moet het hopen op betere tijden.