Keurige Un ballo in maschera met vervoering gedirigeerd

Voorstelling: Un ballo in maschera van G. Verdi door de Nationale Opera Brussel o.l.v. Antonio Pappano m.m.v. o.a. Franco Farina, Knut Skram, Galina Kalinia, Elzbieta Szmytka, Barry Mora, Gudjon Oscarsson en Frans Fiselier. Decors: Johannes Leiacker; kostuums: Sven Use; regie: Guy Joosten. Gezien: 27/10 Kon. Muntschouwburg Brussel. Herhalingen: 29/10; 1, 4, 7, 10, 12, 15/11.

Het zijn moeilijke tijden voor Bernard Foccroulle, sinds 1 januari de intendant van de Brusselse Nationale Opera. Niet alleen financieel heeft Mortier een schaduw achter zich gelaten, ook artistiek is het moeilijk om tien jaar brille te overtreffen en een eigen beleid te voeren. Foccroulle gaat immers grosso modo uit van dezelfde artistiek ruimhartige en ambitieuze principes als Mortier en wil de vooraanstaande plaats van Brussel in de internationale operawereld handhaven met spraakmakende nieuwe creaties van oud èn hedendaags repertoire. Niettemin kan men uit de nieuwe Brusselse produktie van Verdi's Un Ballo in Maschera, geregisseerd door Guy Joosten, concluderen tot een kleine verlegging van de artistieke doeleinden. Deze Ballo lijkt gebaseerd op een herwaardering van een aantal oude esthetische waarden in het operatheater: prachtige kostuums en fraai gegroepeerde plaatjes als tableaux vivants binnen een functioneel abstract decor dat bestaat uit een aantal zwarte lijsten, ingevuld met doorzichtige gaasdoeken. Men kan die lijsten interpreteren als rouwranden om deze zwarte komedie, waarin Riccardo met open ogen afstevent op zijn noodlottige, onafwendbare dood: een moord tijdens een gemaskerd bal die slechts berust op een misverstand. Maar dat is dan ook ongeveer alles wat men bij Joosten aan conceptueels kan duiden, want er is merkwaardig weinig af te leiden uit het feit dat hij de hoofdrol van Riccardo modelleert naar de Beierse koning Ludwig II, de maecenas van Wagner, met wie de Amerikaanse tenor Franco Farina een verbluffende gelijkenis vertoont. Het gemaskerde bal speelt zich hier af in de grote zaal van Ludwigs paleis Herrenchiemsee, een kopie van de spiegelzaal in Versailles.

Joosten levert daarmee een nieuwe bijdrage aan een van de merkwaardigste opvoeringshistories van een opera. Oorspronkelijk ging Un Ballo over de moord op de Zweedse koning Gustaaf III in Stockholm in 1792. Op last van de censuur, die geen koningsmoord op het podium wilde zien, moest Verdi het libretto veranderen en zo werd het de moord op een Engelse gouverneur van Boston, met hulp van de zwarten Samuel en Tom. Vervolgens werd in veel produkties de lokatie in Napels gelegd, Sam en Tom werden weer witmannen.

In de tekst van Antonio Somma, naar een operalibretto van Eugène Scribe voor Auber, was de historisch zo interessante figuur van Gustaaf III al sterk gereduceerd. Hij werd Riccardo genoemd, een kuise vrijgezel-koning die alleen zo onhandig is avances te maken tot Amelia, de vrouw van graaf Anckarstroem. In werkelijkheid was Gustav een getrouwde homoseksueel, aan de macht gekomen toen zijn vader stierf na het eten van te veel cake, een held van het slagveld die Rusland versloeg en plannen maakte om de Franse Revolutie ongedaan te maken, een liberaal verlicht despoot, die het parlement met uitsluitend adel afschafte, een koning-kunstenaar, oprichter van de Zweedse Academie van Wetenschappen, componist en artistiek leider van de hofopera in Drottningholm, die na zijn dood werd gesloten en pas in de jaren '20 van deze eeuw onder het stof vandaan werd gehaald.

En dat bal, waarop Gustaaf werd vermoord, vond plaats in de opera van Stockholm. Zijn sterfscène duurde dertien dagen, pas toen ging hij dood! Van dat dankbare gecompliceerde personage was in de originele Ballo al weinig te herkennen. Daarna werd hij dus nog verbannen naar Boston en Napels. Nu situeert Joosten hem dan in Beieren, als de notoire homoseksueel Ludwig II. Die transformatie krijgt verder geen reliëf en lijkt daarom niet zinvol. Het is ook een merkwaardige zijstap in het bijna tijdloze neo-klassicisme waarvan deze zo zorgvuldig geënsceneerde en goed opgebouwde voorstelling blijk geeft.

De oude cliché's in de poses en het front-zaal zingen worden door Joosten in ere hersteld en hier overtuigend uitgevoerd. In dankbare speelscènes, zoals het koor van de spottende samenzweerders en het trekken van de lootjes, herkent men de reeds ervaren hand van de nog jonge theaterregisseur, "Oberspielleiter' in Hamburg, die na een mooie Cenerentola bij de Vlaamse Opera nu zijn tweede operaregie aflevert. Deze Ballo is emotieloos keurig, zonder de suspense die Steven Pimlott eerder dit jaar in Antwerpen wist aan te brengen, en voor het overige scènisch oneindig veel beter dan de ridicule Ballo die de Nederlandse Opera vorig jaar bracht.

Maar verder loert nu in Brussel de armoe om de hoek. Vocaal is deze voorstelling helaas van een te onbeduidend niveau. Hier zijn werkelijk grotere en vollere stemmen vereist. Franco Farina (Riccardo) heeft een soms nogal kaal en weinig dramatisch geprofileerd geluid en bij Galina Kalinina (Amelia) is datzelfde vaak in nog grotere mate het geval. De zieneres Ulrica krijgt geacteerd een opmerkelijke vertolking van Livia Budai, die ze echter met haar stemkwaliteit niet waarmaakt. Knut Skram is een goede Renato en de Oscar van Elzbieta Szmytka is verreweg het best. Dat het geheel uiteindelijk toch nog echte dramatiek bewerkt, ligt vooral aan dirigent Antonio Pappano, die op beslissende momenten vanuit de orkestbak zorgt voor enerverende vervoering.

    • Kasper Jansen