Ha! Computers op school

Honderden miljoenen heeft het ministerie van onderwijs in de informatisering van het voortgezet onderwijs gestoken. Alle scholen hebben nu een computerlokaal. Bij gebrek aan goede programma's staan ze meestal leeg.

Zo nu en dan heeft Henriëtte van der Veeken het er met haar collega's van Frans over: dat de leerlingen de woordjes en de grammatica nu toch ook eens op de computer zouden moeten oefenen. De programma's, op aandrang van de directie aangeschaft, liggen al meer dan een jaar in de kast. Om de een of andere reden komt het er nooit van. Eén keer heeft Van der Veeken gevraagd of het computerlokaal vrij was. Dat was toen niet zo. Eigenlijk zou iemand van de sectie het goede voorbeeld moeten geven. Dan volgt de rest vanzelf. Maar ja, dat gebeurt niet.

Van der Veeken is lerares aan het Christelijk Lyceum Apeldoorn. Met haar collega's van Frans hoort ze bij de 85 procent van de leraren in het voortgezet onderwijs die de computer niet gebruiken.

Aan de computers zelf ligt het niet. Elke school voor voortgezet onderwijs heeft tegenwoordig een computerlokaal. Daar staan ten minste elf computers in, het aantal dat enkele jaren geleden door het ministerie van onderwijs per school is verstrekt. Het Christelijk Lyceum Apeldoorn heeft er zestien, waaronder een paar verrijdbare. Ook aan kennis en programma's ontbreekt het niet. Landelijk is tien procent van de leraren bijgeschoold. Er zijn ongeveer zeshonderd verschillende programma's te koop.

Van der Veeken heeft een computercursus gevolgd. De programma's voor Frans die toen werden vertoond leken haar ""wel goed''. Dankzij het PC-privéproject van de school heeft ze thuis een computer staan. Alleen is ze ""niet zo iemand die daar dan allemaal programma's in gaat stoppen''. Dat is meer iets voor haar collega Kees Visser, hoofd van de sectie informatiekunde. De leraren in dit vak zijn de intensiefste gebruikers van de computer en Visser is geen uitzondering. Hij zoekt programma's uit en test ze. Informatiekunde is een vrucht van de informatisering van het onderwijs. Bijna alle scholen geven het vak. Wanneer volgend schooljaar de basisvorming begint, wordt het verplicht. Daarmee heeft de computer in het voortgezet onderwijs dan ten minste nog één bruggehoofd.

Tot stilstand

Er zijn computers, er zijn programma's, maar na tien jaar stimulering is de informatisering van het voortgezet onderwijs knarsend tot stilstand gekomen.

De computerlokalen zijn vaker leeg dan bezet, alleen de freaks onder de leraren gebruiken de computer. De overigen voeren een waslijst van bezwaren aan. Meer dan de helft van de leraren vindt dat er te weinig programma's zijn en dat er te weinig tijd is om de lessen voor te bereiden. Iets minder dan de helft vindt dat er te weinig apparatuur is en bijna veertig procent zegt niet goed te weten hoe je de computer in het onderwijs kunt gebruiken. Nederland behoort nu tot de landen waar voor het voortgezet onderwijs de meeste apparatuur en programmatuur beschikbaar is, maar tegelijkertijd wordt hier minder van de computer gebruik gemaakt dan in laag-geïnformatiseerde landen als Portugal of Zwitserland.

Wie is er dan over computers in het onderwijs begonnen? Vooral de overheid. Al tien jaar lang probeert het ministerie van onderwijs scholen aan de computer te brengen. Het begon in 1982 met een experimenteel stimuleringsproject voor honderd scholen in het voortgezet onderwijs. Vele projecten volgden en er werd in totaal voor meer dan 500 miljoen gulden aan subsidies verstrekt. Dat heeft niet geholpen, en nu gooit de overheid het roer om. Geen grootschalige, van bovenaf opgelegde stimuleringsprojecten meer. De verantwoordelijkheid voor de invoering van de computer komt bij de scholen zelf te liggen. Weliswaar verloopt deze invoering tot nu toe niet echt naar wens, maar ""sturing door de overheid biedt ook geen oplossing'', aldus de mismoedige conclusie van staatssecretaris Wallage in zijn dit jaar verschenen nota ENTER: de toekomst.

Zo hard als de overheid bij het begin van de stimulering van stapel liep, zo snel - zo overijld, menen sommige deskundigen - wil ze nu de informatisering van het onderwijs aan de markt overlaten.

Aan welke markt? Volgens Joop van Dalen, directeur educatieve activiteiten van Wolters Kluwer, heeft de overheid van de markt weinig verstand. Dat was al vanaf het begin duidelijk. ""Het ministerie verwachtte dat de belangstelling voor computers als een stuwmeer zou zijn. Zet de schuiven open en het enthousiasme stort over je heen, dacht men. Maar zo was het niet. Achter de schuiven lagen rotsblokken.'' Zijn collega Jan van Amerongen zegt het nog duidelijker: ""We kunnen kijken wat we willen, er is geen markt''. ""Tien jaar geleden waren we veel optimistischer dan nu'', erkent Tjeerd Plomp, hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit van Twente, en een in binnen- en buitenland veel geraadpleegd deskundige over computers in het onderwijs. ""Het is allemaal veel langzamer gegaan dan we eerst gedacht hadden.'' Plomp, maar ook andere deskundigen hebben het ministerie aangeraden in het computeronderwijs te blijven investeren. Scholen kunnen het nog niet zelf, was de teneur van het eind vorig jaar over computeronderwijs georganiseerde "Icarusdebat". Die uitkomst is door het ministerie terzijde geschoven. Alleen het basisonderwijs krijgt nog aandacht. Daar wordt de computer nu ingevoerd - het zogeheten Comenius-project.

Niet goed genoeg

Voor de stagnerende informatisering van het voortgezet onderwijs circuleren verschillende verklaringen. De meest gehoorde is dat de educatieve programma's niet goed genoeg zijn. Ook op het Christelijk Lyceum in Apeldoorn wordt in vele toonaarden over de software geklaagd. In het begin, zegt Visser van informatiekunde, ""waren sommige programma's heel onvriendelijk''. ""Dan drukte je op een knop en gebeurde er van alles.'' Hans de Jong van Engels laat zijn leerlingen tegenwoordig in een schrift de fouten opschrijven die ze op het scherm maken. ""Dan hebben ze er thuis ook nog wat aan.'' Bij wiskunde wordt de computer gezien als ""een veredelde rekenmachine''. Het computerlokaal wordt vaker niet dan wel gebruikt.

De huidige programma's vormen nog maar de eerste generatie, het wordt door iedereen erkend. In opzet en methodiek zijn ze niet veel meer dan leer- en werkboekjes op een scherm - het enige voordeel is dat een verkeerd antwoord meteen, en niet achteraf wordt geconstateerd. In een tijd dat andere software aan zijn derde of vierde generatie toe is, staat het draaien van een stukje educatieve software zo langzamerhand gelijk aan een blik in het stenen computertijdperk - zeker voor leerlingen die gewend zijn aan de kleuren, het geluid en de bewegende beelden van adventure games en andere computerspelletjes.

Daar komt bij dat de hardware inmiddels ook flink aan het verouderen is. Voor het overgrote deel zijn de schoolcomputers XT's, een type computer dat eigenlijk niet meer meetelt. Vandaag de dag zijn het de computers van de 386-generatie die de toon aangeven. Die kunnen werken met Windows, een besturingssysteem dat het werken met de computer stukken eenvoudiger maakt en waarvoor steeds meer programma's komen. In het basisonderwijs is Windows overigens wél de norm. In het kader van het Comenius-project krijgen alle basisscholen mooie 386-computers van Philips, compleet met een bundeltje programma's die onder Windows draaien. Maar hoe begrijpelijk dat streven naar state of the art-technologie ook is, de aansluiting met het voortgezet onderwijs wordt er niet gemakkelijker op.

Oerwoud

De kans dat er ooit nog eens een nieuwe generatie software voor het voortgezet onderwijs komt wordt met de dag kleiner. Voor uitgevers en programmamakers is het voortgezet onderwijs een onoverzichtelijk oerwoud van schoolvarianten, pakketten en lesmethoden. In het basisonderwijs is ook dat anders. Uitgeverij Zwijsen, die met zijn leesmethode Veilig leren lezen bijna alle basisscholen bedient, kon het zich permitteren meer dan twee ton te investeren in een begeleidend computerprogramma. Er is eerst eindeloos over het script gepraat, daarna heeft een echt softwarehuis er bijna een jaar over gedaan om het script tot een aantrekkelijk - en onder Windows draaiend - programma te maken. Uitgevers voor het voortgezet onderwijs kunnen daar alleen maar van dromen. Zij zijn vaak aangewezen op de programma's die hun door buitenstaanders worden aangeboden en van een systematische softwareontwikkeling is meestal geen sprake.

Volgens Van Dalen van Wolters Kluwer is veel kritiek op de programma's terecht. Maar het is voor de educatieve uitgevers dan ook wennen. ""In tegenstelling tot een boek is een computerprogramma interactief. Bij elke stap zijn verschillende volgende stappen mogelijk, die allemaal ingecalculeerd moeten worden. Dat is een heel ingewikkelde didactiek.'' Dan kan er wel eens wat fout gaan of, wat vaker gebeurt, het programma een kinderachtige indruk maken. Geen enkel programma is in staat onderscheid te maken tussen een begripsfout en een slordigheid.

Veel uitzicht op verbetering is er dus niet. De overheid heeft in het begin veel geld in programma-ontwikkeling geïnvesteerd, maar sinds de softwarecoupons voor scholen zijn afgeschaft is de markt ingestort. Met die coupons kon elke school voor voortgezet onderwijs voor 2000 gulden programma's aanschaffen, en daarmee werd een flinke vraag gecreëerd: bij 1800 scholen een markt van 4 miljoen gulden.

""Het is een droevige situatie'', meent Plomp. ""Zonder overheidssteun is de markt te klein voor de uitgevers. Leraren hebben overtuigende voorbeelden nodig, maar die zijn er nog steeds niet in voldoende mate.'' Maar het blijft de vraag of leraren zich wel willen laten overtuigen. Rudolf Mulder, directeur van Visiria, een uitgeverij van cpmputerprogramma's voor aardrijkskunde en geschiedenis, wijst op de geringe aandacht die de computer op de lerarenopleidingen krijgt. ""En als ze het daar niet leren, doen de leraren er later op school ook niks mee.''

Volgens een vorig jaar door het Amsterdamse centrum voor onderwijsonderzoek SCO uitgevoerd onderzoek gebruiken leraren de slechte kwaliteit van programma's ook wel als excuus om er niet mee te hoeven werken. De schaarse leraren die wel de computer gebruiken, zeggen dat hun collega's in programma's ""zoveel mogelijk zaken proberen te vinden die niet deugen''. Een anoniem geciteerde leraar meent dat ""hun referentiekader het huidige systeem is, hun boek, hun wijze van lesgeven en wat ze nog meer in hun hoofd hebben. Daar wordt alles tegen afgezet. Ik heb sterk de indruk dat de beoordeling van software veel kritischer gebeurt dan de beoordeling van een leerboek. Ze vallen over iedere kleinigheid.'' Een programmamaker noemt het voorbeeld van een leraar die ""een zo en zo aardrijkskundeprogramma wil over Eindhoven en wel over een bepaald stadsdeel. En als je dat voor hem vindt, is de kans groot dat hij zegt: maar dat bedoel ik niet.''

En dan zijn er de leraren die bang zijn dat de computer het lesgeven van ze afpakt. Het programma weet wat de leerling fout doet, hoever hij is en of hij het allemaal begrijpt - de leraar niet meer. Plomp brengt daar tegen in dat het helemaal niet de bedoeling is dat de computer de leraar vervangt. ""Daar is ons onderwijssysteem niet op ingesteld. Je moet het veel meer zoeken in toepassingen die iets extra's geven. Een programma voor tekstverwerking bijvoorbeeld kan een belangrijke functie bij het schrijfonderwijs vervullen. Als je les geeft over de manier waarop je een brief moet schrijven, kun je met een ingebouwd vraag- en antwoordspel leerlingen leren hoe dat moet - dat er een aanhef moet zijn, een datum, een bepaalde structuur, een ondertekening, noem maar op. Verbeteringen zijn heel gemakkelijk en het programma stuurt elke leerling individueel. Dat zou een leraar nooit kunnen. Die kan alleen het eindresultaat beoordelen.'' Ook vindt Plomp de simpele drill and practice programma's - waarmee een leerling grammatica of woordjes kan oefenen - vaak helemaal zo gek niet. ""De leerlingen houden wel van die invulprogrammaatjes. Zolang het maar niet de enige computertoepassingen zijn waarmee ze te maken krijgen is er weinig op tegen.''

Plomp is een voorstander van computers in het onderwijs. ""In onze samenleving hoort leren over computers thuis op school'', meent hij. ""Iedereen hoort iets te weten van nieuwe technologieën - al was het maar om te beseffen dat de uitspraak "de computer heeft een fout gemaakt' onzin is. Het zijn altijd mensen die de fouten maken. Verder zou iedereen wat van toepassingen moeten weten, dat een computer heel snel gegevens kan bewerken bijvoorbeeld. En het zou mooi zijn als mensen iets van de theorie begrepen. Bij al die dingen geldt dat je ze het best leert door met een computer om te gaan.''

Te vroeg

Plomp meent dat de overheid te vroeg is gestopt met het subsidiëren van de informatisering van het voortgezet onderwijs. De kans dat de programma's in de nabije toekomst beter worden - en daarmee het draagvlak voor de computer groter - lijkt nu kleiner dan ooit. Staatssecretaris Wallage heeft zijn hoop op de basisvorming gevestigd. Informatietechnologie dient niet als geïsoleerd fenomeen ingezet te worden, schreef hij onlangs aan de Kamer, maar moet ten dienste staan van de te bereiken onderwijsdoelen. Dat klinkt weinig opzienbarend, maar in de volgende zin komt de aap uit de mouw: ""dit impliceert tevens een nauwe aansluiting bij de grote beleidsoperaties; hierbij is basisvorming/v.b.o. (voorbereidend beroepsonderwijs, de nieuwe naam voor het LBO- red.) het meest onmiddellijk relevant.'' Een nieuwigheid kun je maar het beste combineren met een andere nieuwigheid, lijkt de overweging van de staatssecretaris.

""Wallage vlucht naar voren'', vindt Klaas Tuinstra, onderwijsspecialist van de CDA-fractie in de Tweede Kamer. ""Er is weinig aanleiding om te veronderstellen dat het deze keer wel goed gaat. In de basisvorming wordt de computer wel verplicht, maar alleen voor het vak informatiekunde en dat hoeven de scholen maar een half uur per week te geven.'' Tuinstra pleit al jaren voor een heel andere methode. ""Nu is het de praktijk dat je de leraren met twee nieuwe dingen confronteert: een nieuw leermiddel - de computer, en een nieuwe methode - het programma. Dat is teveel ineens. Het zou veel beter zijn als je software had die aansluit op de bestaande leermethoden, op de leerboekjes die de docent toch al gebruikt. De overgang is dan minder groot en je hebt veel meer kans dat je de leraren over de streep trekt.'' Tuinstra pleitte al in '88 voor het verstrekken van subsidies aan uitgevers die methode-gebonden software wilden ontwikkelen, maar zijn woorden zijn nooit in vruchtbare aarde gevallen. De methode-gebonden software vormt nog geen procent van het totale aanbod.

Andere Tweede-Kamerleden voelen wel wat voor de grote sprong voorwaarts van Wallage, maar willen zich eerst nog op de hoogte stellen van een aantal initiatieven die wel succes lijken te hebben. Een daarvan is Escape, een instituut dat door twee Brabantse onderwijsinstellingen (Ons Middelbaar Onderwijs en de Katholieke Leergangen in Tilburg) in het leven is geroepen en dat zich ten doel stelt in samenwerking met leraren software te ontwikkelen. ""Bij ons geen top-down strategie'', zegt Anton van Aert, projectleider bij Escape. ""Dat levert alleen maar produkten op die niemand wil hebben. Wij kijken naar de behoeften van het onderwijs.'' Hij wijst op het Escape-produkt Discatext, een reeks oefenprogramma's voor vreemde talen die veel gebruikt worden ter voorbereiding op het eindexamen.

Zwaar weer

De plannen van Wallage zullen voor Escape zwaar weer betekenen, en niet alleen voor Escape. Er is inmiddels met overheidsgeld een uitgebreid netwerk opgebouwd van organisaties die de invoering van de computer in het onderwijs begeleiden. Gecoördineerd door de Stuurgroep Verzorging Informatietechnologie ontwikkelen ze programma's, verzorgen bijscholing en verrichten onderzoek. ""De eerste stap is gezet naar het deleten van het gebruik van computers bij het lesgeven'', constateerde voorzitter Gerard van den Hoven van de stuurgroep in Didactief, het maandblad van het Instituut voor Onderzoek van het Onderwijs SVO.

In een eigen notitie over het gebruik van de computer op school schrijft conrector Lamme dat het op het Christelijk Lyceum Apeldoorn zover niet mag komen. De automatiseringscommissie en de aparte sectie voor de onderwijskundige kanten zullen worden versterkt. Er komt een "doelgericht meerjarenplan' en leraren krijgen ""hulp bij het zoeken naar te gebruiken software, het kiezen voor het werken met een ambulante pc of werken in het computerlokaal, het leren kennen van de mogelijkheden van de apparatuur.'' Ook het ""zonodig mee voorbereiden van de opstelling van de apparatuur en het indelen van de eerste lessen hoort bij de begeleiding''.

Het zal een hele toer worden. Zolang de programma's nog zo elementair en vaak zo erbarmelijk zijn, zolang zullen de leraren niet zo gauw in vuur en vlam raken. Plomp: ""De eerste reactie van een leraar is nog steeds: waarom zou ik eraan beginnen?''

Programma's

Educatieve software komt meestal in de vorm van een of twee diskettes en een eenvoudige handleiding. Een leerling die een programma start komt gewoonlijk eerst in een "keuzemenu', een lijst van mogelijkheden. Hij kan dan aangeven welk onderdeel van het programma hij wil oefenen.

De vragen zijn in bijna alle gevallen meerkeuze-vragen. Voor sommige programma's is een fout aanleiding voor wat uitleg en het opnieuw stellen van de vraag, andere geven meteen het goede antwoord. Ook slaan sommige programma's de foute antwoorden op, zodat de leerling bij het beëindigen van de sessie zijn zwakke punten nog eens onder ogen kan krijgen.

Van standaardisering bij de bediening van de programma's is geen sprake. Soms moet voor een volgend beeld de spatiebalk worden ingedrukt, andere programma's hebben daar de return- of een pijltjestoets voor gereserveerd. Voor het stoppen van het programma zijn vele verschillende commando's in gebruik. Lang niet alle programma's hebben een hulptoets, die een leerling kan indrukken als hij er niet meer uitkomt.

De programma's die hieronder beschreven worden zijn maar een greep uit het brede aanbod voor het voortgezet onderwijs. Voor meer gegevens over educatieve software raadplege men het Soft- en Courseware Evaluatiecentrum Nederland (SCENcp,9.5 Postbus 3881, 7500 DW Enschede) of het Nationaal Informatie-Centrum Leermiddelen (NICL, Postbus 2041, 7500 CA Enschede).

POLITIEKE BESLUITVORMING

(Malmberg, Den Bosch)

Programma voor maatschappijleer. Het programma behandelt de weg die van wens naar wet leidt, en doet dat aan de hand van een "hindernismodel': vier fasen die doorlopen moeten worden voordat de wens van een burger wet wordt. Het model wordt in een theoriegedeelte uitgelegd: het scherm wordt dan gevuld met blokschema's en abstracte teksten; zo wordt gesproken van een "politiek strijdpunt' dat een "hindernis neemt'. Daarnaast is er een deel gewijd aan twee praktijkgevallen: de totstandkoming van een wet op alcoholmisbruik en een wetsvoorstel voor de invoering van een referendum. De leerling krijgt een wirwar van gebeurtenissen en meningen (kranteberichten, de inhoud van telefoongesprekken, de uitslag van opinie-onderzoek) op het scherm en moet aan de hand van meerkeuze-vragen beoordelen of de inhoud van die informatie bijdraagt aan het overwinnen van een bepaalde hindernis of niet. De leerling kan de loop van de gebeurtenissen niet beïnvloeden, hij blijft een buitenstaander. De praktijkgevallen maken niet de indruk uit het leven gegrepen te zijn, zo zal de actie van een individuele burger in werkelijkheid zelden leiden tot een nieuwe wet.

CLOVIS

(De Wijs software, Tilburg)

Verzameling van zes programma's die de vaderlandse geschiedenis behandelen, vanaf de steentijd tot en met de twintigste eeuw.

Op het scherm verschijnen steeds enkele zinnen waarin over een bepaalde episode wat informatie wordt gegeven. In sneltreinvaart gaat de leerling door de vaderlandse geschiedenis. De teksten zijn zeer elementair: "De eerste bewoners van ons land konden niet lezen.' "Om aan de macht te komen had Adolf Hitler veel tegenstanders uit de weg geruimd.' "Als leeuwen vochten de Nederlandse soldaten.' Een druk op de enter-toets doet een paar nieuwe regels op het scherm verschijnen. Af en toe wordt een vraag gesteld, zo vraagt het scherm op een gegeven moment wanneer Bonifatius werd vermoord. De leerling kan dan kiezen uit 754 voor Christus, 754 na Christus, of 854 voor of 854 na Christus.

Het scherm antwoordt met grote letters GOED of FOUT.

DISCATEXT DUITS

(Educaboek, Culemborg)

Programma voor tekstbegrip. Op het scherm verschijnt een Duitse tekst waarmee de leerling op verschillende manieren kan werken. Op het eenvoudigste niveau wordt met meerkeuze-vragen naar de betekenis van woorden gevraagd, maar er zijn ook vragen naar de betekenis van de tekst. Wie het antwoord niet weet krijgt het antwoord niet aangereikt, maar wordt eerst nog een eindje op weg geholpen. Fouten worden onmiddellijk geconstateerd en zijn in sommige gevallen aanleiding voor een kleine uitleg. In een ander deel van het programma moet de leerling een op het scherm gepresenteerde samenvatting in de juiste volgorde zetten. Tot slot is er ook een niveau waarin de structuur van de tekst in een blokschema met pijltjes wordt verbeeld. Er zijn ook Discatextprogramma's voor Frans en Engels. De programma's worden veel gebruikt als voorbereiding op het eindexamen. Het programma is ontwikkeld door Escape, een softwareontwikkelaar voor het onderwijs die door twee Brabantse onderwijsinstellingen is opgericht.

GEREEDSCHAPSKIST VOOR HET NATUURKUNDE-ONDERWIJS

(Bohn, Stafleu van Loghum, Utrecht)

Een tiental hulpmiddelen voor het natuurkunde-onderwijs. Een van de onderdelen van het programma is een korte cursus in het aflezen van meetinstrumenten. Er verschijnt dan een schuifmaat of een maatglas in beeld dat de leerling moet aflezen. Ook wordt gevraagd naar de afleesnauwkeurigheid. De andere onderdelen zijn vooral simulaties. Bij het onderdeel "optica' kan de leerling een aantal grootheden zelf intikken (holle of bolle spiegel, brandpuntsafstand, voorwerpsafstand, voorwerpsgrootte) en op het scherm verschijnt dan de route van een lichtbaan. Verder zijn er primitieve animaties van harmonische trillingen, van de gaswetten van Boyle en Gay-Lussac en van interferentiepatronen opgenomen. Bij de meeste simulaties kan de leerling zelf een aantal parameters instellen en het effect daarvan op het scherm zien.

FOUTLOOS SPELLEN

(Kramers woordenboeken / Koninklijke PBNA)

Met dit programma kan de gebruiker (die met u wordt aangesproken) de spelling van het werkwoord oefenen. Een zevental onderwerpen passeren de revue: het voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord (de verbrede straat), werkwoordsvormen (stam + t), onregelmatige werkwoorden, verleden tijd, etcetera. Elk onderwerp neemt een minuut of twintig in beslag.

Vragen worden afgewisseld met uitleg, en de gebruiker kan ook zelf met een toets informatie oproepen als hij een vraag niet snapt. Bij een fout antwoord (de verbreedde straat) krijgt men meteen een korte opfriscursus.

DE VIKINGEN

(Visiria, Lopik)

Produkt van een pril samenwerkingsverband: de European Pool of Educational Software (EPES), 12 landen die software uitwisselen en in de eigen landstaal vertalen. De Vikingen onderscheidt zich van de meeste andere educatieve software doordat het in kleur is. Er is een computer voor vereist waarvan er in het voortgezet onderwijs maar weinig staan: een "386' met harde schijf, muis en kleurenscherm. De leerling is dorpshoofd van een vikingdorp. Hij komt in een aantal situaties terecht (verbeeld door een stilstaand kleurenplaatje) en moet beslissen of het al tijd voor de jacht, de oogst of een andere vikingbezigheid is. Daarbij moet hij ook een zinvolle werkverdeling opstellen. Voor het nemen van de beslissingen kan de leerling gebruik maken van allerlei informatie die met de muis is aan te klikken. Een dorpshoofd dat voortdurend verkeerde beslissingen neemt wordt door zijn onderdanen afgezet. Het scherm gaat dan op zwart en de leerling moet opnieuw beginnen.

    • Warna Oosterbaan
    • Gretha Pama