Goede voornemens kabinet onvoldoende

DEN HAAG, 29 OKT. Het kabinet Lubbers/Kok wil bezuinigen, maar is twee miljard gulden genoeg? De brief die Lubbers en Kok gisteren naar de Tweede Kamer stuurden bevat een indrukwekkende reeks goede voornemens. Maar zelfs als die werkelijkheid worden, dan nog lijken eerder vier miljard dan van twee miljard gulden noodzakelijk. Tenminste, als het kabinet vasthoudt aan de 'eigen' normen voor tekort en lastendruk. Of buigen die normen in de economische tegenwind?

Lubbers en Kok schrijven in hun brief dat “het beeld nog ongunstiger is dan gevreesd”. Uit de bijgevoegde notitie van het Centraal Planbureau (CPb) blijkt dat Haagse rekenaars in opdracht van het kabinet de hele reeks goede voornemens in hun “veronderstellingen” meenemen. Alsof alle maatregelen, binnen en buiten de overheidssfeer, al gerealiseerd zijn.

Het tekort zou dan in 1993 niet uitkomen op 3,8 procent van het nationale inkomen, zoals in de officiële schattingen van september was geraamd, maar op 4,1 procent. Het regeerakkoord noemt voor volgend jaar een plafond van 3,75 procent. Handhaving van die norm betekent circa twee miljard gulden aan bezuinigingen.

De collectieve lastendruk komt volgens de jongste inzichten van het CPb volgend jaar uit op 53,9 procent van het nationale inkomen. De norm luidt 53,6 procent, zodat vanuit deze optiek nog eens anderhalf tot twee miljard gulden moet worden bezuinigd. Dat is bij elkaar 3,5 à 4 miljard gulden.

Maar worden de goede voornemens van het kabinet ook realiteit? Om te beginnen zijn er de ambtenarensalarissen. Die zullen volgens het kabinet per 1 april met slechts 0,75 procent stijgen. Dat zal de ambtenarenbonden in eigen huis nog de nodige overredingskracht vergen. De inflatie beloopt volgend jaar immers nog altijd 2,5 procent. Bovendien is de koopkracht van de gemiddelde ambtenaar in 1992 reeds met ruim 1 procent gedaald.

Toch zou 0,75 procent voor het behoud van de koopkracht voldoende zijn. Dat komt door het “overloop”-effect: een deel van de salarisstijging per 1 april 1992 werkt na 1 januari 1993 door.

Om dezelfde reden mogen de uitkeringen per 1 januari 1993 en per 1 juli 1993 slechts met 0,2 procent worden verhoogd (het verschil tussen de twee kalenderjaren bedraagt dan één procent). Zal zo'n geringe verhoging in het parlement niet op bezwaren stuiten?

Op één punt heeft men al vast water in de wijn gedaan, getuige de brief: “Gelet op de al afgesloten CAO's en het gebrekkige budgetteringssysteem in de zorgsector is aangenomen dat zonder nadere maatregelen een budgetkorting in deze sfeer geen materiële betekenis heeft.” De verplegers blijven dus (voorlopig) buiten schot.

Dit alles behoort min of meer tot de collectieve sector. Maar de goede voornemens van het kabinet reiken verder. Verondersteld wordt dat de contractlonen in de marktsector in 1983 met niet meer dan 2,5 procent zullen stijgen. Dat betekent, na verrekening van de “overloop”, per 1 april een loonstijging van slechts twee procent. Economisch is zo'n kleine loonstijging best te verdedigen (de koopkracht stijgt nog altijd fors). Maar hoe reageren de bonden als hun leden naar hun buurman kijken? Eén op de vier werknemers in de marktsector heeft inmiddels al een loonstijging van gemiddeld 4,75 procent (!) binnengehaald.

Het beeld wordt zo langzamerhand compleet. Het kabinet wil de tariefsschijven in de loon- en inkomensbelasting niet met 2,5 maar met slechts 1,0 procent verhogen. Ook blijft de voorgenomen verhoging van de belastingvrije voet met 89 gulden achterwege. Vergeleken met de Miljoenennota 1993 leiden beide maatregelen tot een wat hogere belastingdruk (het verschil bedraagt bijna één miljard gulden).

Voorts krijgen de departementen niet de prijscompensatie die ze in september was beloofd, maar minder. Dat scheelt volgens Lubbers en Kok 0,4 miljard gulden. Ook zijn er meevallers bij de ontwikkelingshulp, de EG-afdrachten (gevolg van de lagere Ecu-koers) en nog wat posten.

Deze lagere uitgaven wegen echter niet op tegen de tegenvallende gasbaten (0,3 miljard gulden) en, vooral, de lagere belastingontvangsten (2,6 miljard). Van enig positief effect van de dalende rente op 's Rijks kas is volgens het CPB in 1993 geen sprake (pas in 1994 veroorzaakt de lagere rente een meevaller van 0,5 miljard gulden).

Het is alleen dankzij dit brede scala nog te realiseren maatregelen, mee- en tegenvallers, dat de gaten in de begroting van Lubbers en Kok niet nog groter zijn. Daarbij wordt overigens verondersteld dat de WAO- en Ziektwetmaatregelen per 1 januari 1993 ingaan. Die datum is inmiddels niet reëel meer. Zouden de nieuwe wetten, en ook nog ongeschonden, per 1 juli 1993 ingaan, dan scheelt dit 0,4 miljard gulden.

Maar ook bovengenoemde 3,5 à 4 miljard gulden aan ombuigingen lijkt voor het kabinet te hoog gegrepen. Premier Lubbers noemde in een recent interview in het CDA-blad CD/Actueel een omvang van 1,5 miljard. Waarbij hij er bovendien geen been in zag toekomstige rentebaten “naar voren te rekenen”.

    • Kees Calje