Fuchs richt zich op steeds dezelfde kunstenaars

De benoeming van Rudi Fuchs tot directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam is gezien zijn kennis en ervaring zeker te rechtvaardigen. Maar Fuchs zal zich in het Stedelijk moeten vernieuwen en zich niet moeten beperken tot het werk van schilders als Baselitz, Kounellis en Kiefer, waarmee hij naam maakte in het Van Abbemuseum, het Turijnse Castello di Rivoli en het Gemeentemuseum.

De voordracht van Fuchs werd algemeen verwacht. Hij volgt begin komend jaar Wim Beeren op, die het directeurschap een kleine acht jaar heeft vervuld.

De verwikkelingen bij de vorige opvolging liggen nog vers in het geheugen. Het werd een geschiedenis vol gekonkel en achterklap, vage geruchten, intensief gelobby door beeldende kunstenaars en museummedewerkers, dit alles veroorzaakt door de besluiteloosheid van de gemeenteraad en de amateuristische aanpak bij de benoeminsprocedure. De nek-aan-nek-race tussen Beeren en Fuchs duurde bijna een half jaar.

De gemeenteraad heeft zijn lesje geleerd. Men heeft dit keer uiterste geheimhouding betracht. Er circuleerden in de kunstwereld enkele namen (voornamelijk van Nederlandse museumdirecteuren), maar die werden nooit bevestigd. Stemmingmakerij kwam niet op gang, in de pers werden slechts enkele lauwe pogingen hiertoe ondernomen. Deze afwachtende houding had niet alleen te maken met de verbeterde aanpak bij de procedure. Er sprak ook een zekere berusting, zo niet gebrek aan belangstelling uit. Men was het erover eens dat Fuchs "het wel zou worden'. Markante, capabele figuren die een redelijk alternatief zouden bieden ontbreken immers in ons land.

In veel opzichten is de benoeming van Fuchs dan ook te rechtvaardigen. Hij heeft veel ervaring met het museum-instituut, en niemand heeft zich in de museumwereld zo duidelijk geprofileerd op het gebied van de hedendaagse kunst als hij.

Van 1975 tot 1987 was hij directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven. Na een aanloopperiode waarin hij zich bezighield met de internationale (veelal Amerikaanse), conceptueel georiënteerde kunst van onder anderen Donald Judd en Carl Andre, engageerde hij zich aan het eind van de jaren zeventig meer en meer met Europese (vooral Duitse) kunstenaars van zijn generatie. Deze laatsten verlangden een terugkeer van de expressie, van het drama en de menselijke ervaring in de beeldende kunst, en waren vooral schilders. Het waren onder anderen Jannis Kounellis, Georg Baselitz, Markus Lüpertz, A.R. Penck, Anselm Kiefer, Per Kirkeby, Arnulf Rainer, en "Wiener Aktionisten' als Günther Brus en Hermann Nitsch. In Nederland richtte hij zich voornamelijk op Jan Dibbets en Toon Verhoef. De Documenta die Fuchs in 1982 organiseerde was dan ook de Documenta van "de terugkeer van de schilderkunst'.

Fuchs' directeurschap van het Van Abbemuseum was een mooie periode, waarin hij in hoog tempo vele spraakmakende exposities maakte en het museum de internationale reputatie, opgebouwd onder Jean Leering en Edy de Wilde, meer dan waar maakte. Het was, afgezien van de laatste jaren voor zijn vertrek, een tijd van experiment en ontdekkingen. Het Van Abbemuseum had, zoals Fuchs zei, een "laboratorium-functie'.

In de herfst van 1987 werd Fuchs directeur van het Haags Gemeentemuseum. Hij was inmiddels ook "interim-directeur' (onduidelijk was voor hoe lang) van het nieuw op te zetten Castello di Rivoli in Turijn. Het feit dat hij tot 1988 verschillende functies tegelijkertijd bekleedde veroorzaakte veel spanningen, zowel in Eindhoven als in Turijn.

In Den Haag bracht hij vijf roerige jaren door. De bezuinigingen en krappe budgetten waren een aanhoudend probleem voor Fuchs, die overigens ook in Eindhoven de budgetten consequent had overschreden. Hij stelde voor om enkele topstukken uit de collectie van het Gemeentemuseum, te weten twee Picasso's en een Monet met een totale waarde van ongeveer veertig miljoen, te verkopen, om van de rente van dat bedrag, twee à drie miljoen, een aankoopfonds te creëren. De Haagse gemeenteraad stemde met het voorstel in. Tot dusverre heeft het plan geen doorgang kunnen vinden doordat een storm van protest oplaaide. In oktober 1991 richtten 40 "vooraanstaande personen uit de kunstwereld' een verzoekschrift aan de Kroon het Haagse raadsbesluit te vernietigen. Het wachten is nog op de uitspraak van de Raad van State.

In Den Haag heeft Fuchs zijn aandacht in eerste instantie gericht op de reorganisatie van het museum, die dringend noodzakelijk was. Hij probeerde om het karakter van de Berlage in het interieur weer terug te krijgen. Het museum is hiermee ruimer, lichter en toegankelijker geworden. Hij werkt nog aan het onderbrengen van de kunstnijverheidsafdeling in de nieuwe vleugel. Maar ook op dit gebied deed hij controversiële voorstellen. Hij wilde sterk "uitdunnen' en zelfs stelde hij voor de kostuumcollectie, de grootste in Nederland, in zijn geheel af te stoten.

De tentoonstellingszalen op de begane grond reserveerde Fuchs voor exposities van hedendaagse kunst. Hier was zijn beleid ronduit teleurstellend. Het was eenvoudigweg een directe voortzetting van het tentoonstellingsbeleid van het Van Abbe, terwijl het Berlage-museum met zijn Mondriaancollectie toch een heel andere context biedt. Ook wat aankopen betreft wilde Fuchs zich concentreren op het genoemde rijtje kunstenaars, zoals blijkt uit de brief die hij in juli 1989 schreef aan de raadscommissie: “Naast bestaande kernen van kunstenaars als Constant en Van der Heyden denken wij aan het opbouwen van nieuwe kernen, bijvoorbeeld van Dibbets, Judd, Rainer en Baselitz”.

Tegen Fuchs' plan om klassieke werken uit de collectie van de hand te doen om dit soort aankopen mogelijk te maken, is veel in te brengen. Hij roept hiermee een oneigenlijke concurrentie in het leven tussen hedendaagse en oudere kunst. Ook door Fuchs veelvuldig gedane provocerende uitlatingen als "Joseph Beuys is waarschijnlijk een groter kunstenaar dan Albrecht Dürer' hebben een averechts effect.

Al met al roept zijn aanstelling in het Stedelijk nogal wat vragen op. Fuchs heeft zich in woord en geschrift altijd sterk gemaakt voor wat hij noemt "de verrassende verscheidenheid' en de "veelvormige kleinschaligheid' van onze musea. In de praktijk wijkt hij daar echter van af door zich op steeds dezelfde kunstenaars te concentreren, van het van Abbe en het Gemeentemuseum tot het Castello di Rivoli en het paleis aan het Lange Voorhout. Daar komt bij dat de kwaliteit van deze kunst nog altijd omstreden is.

Bij zijn vertrek uit Eindhoven zei hij in een interview: “Ik ben meegegroeid met een generatie jonge kunstenaars en nu is de tijd aangebroken dat er opnieuw iemand met een jonge generatie aan de slag gaat”. Ook bij andere gelegenheden zei hij de jonge kunst aan anderen over te laten. Dit is niet een instelling die je van een directeur van het Stedelijk zou mogen verwachten. Het Stedelijk is behalve het museum van de klassieke moderne kunst, vooral ook een museum dat zich solidair instelt op nieuwe ontwikkelingen en zich daar voor inzet. Aan dat laatste ontleent het sinds Sandberg nog steeds zijn internationale reputatie.

De nieuwe directeur van het Stedelijk staan grote dingen te wachten, waarvan in de eerste plaats de uitbreiding die nu zijn beslag moet krijgen. In budgettair opzicht worden aan de directeur dus extra eisen gesteld. Misschien moet zo'n eervolle opdracht inderdaad niet worden gegund aan een buitenlander. Iemand als de Duitser Kaspar König was bijvoorbeeld een geschikte kandidaat. Vooral denk ik aan de man uit Gent, Jan Hoet. Hoets Documenta was zeer geslaagd, óók - voor het eerst in de geschiedenis - in zakelijk opzicht. En een Belg is toch een beetje Nederlands? In ieder geval zou een benoeming van Hoet hebben getuigd van zin voor avontuur en verbeeldingskracht. Dat kan van de benoeming van Fuchs niet worden gezegd.

    • Janneke Wesseling