Een pleister voor Simons

DE PLEISTER is gevonden. Met instemming van de regeringsfracties CDA en PvdA zal staatssecretaris Simons laten onderzoeken hoe de beoogde basisverzekering in de gezondheidszorg het best tot stand kan worden gebracht. Dat is rijkelijk laat voor een plan waaraan al sinds midden jaren tachtig wordt gewerkt, maar zo gaat dat in Den Haag. De politieke inzwachteling van Simons is voltooid en de geleidelijke uitbreiding van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) tot een volksverzekering voor ziekte en zorg is terug in de wachtkamer.

Voor de zomer dreigde Simons nog even met opstappen als hij geen parlementaire steun zou krijgen voor zijn plan, nadat hij al had toegestaan dat in 1993 geen nieuwe medische voorzieningen naar de AWBZ zouden worden overgeheveld. De ambities van Simons zijn geleidelijk teruggeschroefd en de staatssecretaris heeft geleerd groter realisme te tonen. Zonder dat met zoveel woorden te erkennen komt Simons zijn critici meer en meer tegemoet.

De aanleiding voor de jongste bezinning op de omvang van de basisverzekering is de financiering van de AWBZ. In de oorspronkelijke plannen zou de inkomensafhankelijke AWBZ-premie verder stijgen en aangezien deze wordt geheven over de eerste schijf van de inkomstenbelasting, zou dat tarief fors stijgen. De hervormers van volksgezondheid hadden dit niet afgestemd met de belastingdeskundigen van Financiën. De fiscalisering van de ziektepremies zou leiden tot een basistarief in de inkomstenbelasting van 45 procent.

Twee partijgenoten van Simons - hoogleraar De Kam en Kamerlid/hoogleraar Vermeend - onderstreepten dat dit onhoudbaar is, als Nederland tegelijkertijd streeft naar fiscale hervorming en lagere lastendruk.

Nadat Vermeend - overigens in navolging van anderen - het plan-Simons had bestempeld tot de grootste open-eindregeling in het fiscale stelsel, sloeg de parlementaire stemming geruisloos om. De vermenging van gezondheidszorg en inkomenspolitiek waarnaar Simons, voortbouwend op het plan-Dekker, op weg was, staat nu opnieuw ter discussie.

EVEN OPMERKELIJK is het debat dat Simons zelf heeft aangekaart over de toegang tot alles wat in Nederland onder de zorgsector van jaarlijks 56 miljard gulden wordt verstaan. Sinds in 1989 de gang naar de psychotherapeut is opgenomen in de AWBZ, zijn de uitgaven hiervoor gestegen van zestig naar tweehonderd miljoen gulden per jaar. Deze bevestiging van de stelling dat zorg zonder drempels leidt tot een OV-jaarkaart naar de spreekkamer, onderkent Simons ook. Hij kiest alleen voor een bureaucratische oplossing. De RIAGG's, de regionale centra voor geestelijke nood met een wisselende reputatie van hulpverlening, moeten volgens hem voortaan uitmaken wie wel en wie niet in aanmerking komt voor psychotherapie op kosten van de gemeenschap.

Zoals voor de psychotherapie, ook in de AWBZ, een verplichte eigen bijdrage geldt, verdient het de voorkeur om mensen een financiële drempel naar de zorg te laten nemen. In een voorstel dat de werkgeversorganisties VNO en NCW onlangs hebben ingediend, is sprake van een dergelijk verplicht eigen risico en grotere keuzevrijheid voor de verzekerde. Simons en het kabinet verzetten zich daar tegen, omdat het de solidariteitsgedachte in de gezondheidszorg zou aantasten en ongewenste inkomenseffecten zou hebben. Dat zijn politieke begrippen.

De bedragen die in het para-medische zorgcircuit omgaan, tonen aan dat mensen veel meer voor hun gezondheid overhebben dan wat in de beste basisverzekering valt. Maar dat zijn particuliere beslissingen.