Discussie over toekomst van de jeugdbescherming; Vraag om aandacht en geld

EDE, 29 OKT. “Nederland heeft meer belangstelling voor voetballen en nieuwe cellen dan voor jeugdbescherming. De samenleving is niet bereid veel in jeugdbescherming te investeren, materieel noch immaterieel. Voor het bedrag waarvoor één topvoetballer wordt aangekocht kunnen ruim honderd mishandelde kinderen een jaar lang worden opgevangen en verzorgd.”

Dat zei gisteren M. Brand-Koolen, hoofd van de directie jeugdbescherming en reclassering van het ministerie van justitie, op een bijeenkomst over de toekomst van de jeugdbescherming. “Voor 1995 hebben we vijf miljoen extra gevraagd voor de jeugdhulpverlening. Daarvoor was geen geld, was het antwoord. In die tijd ontsnapten vier gevangenen: inmiddels ligt er zestig miljoen voor extra cellen.” Brand-Koolen kon met die vergelijking op begrip rekenen bij veel van de ongeveer vierhonderd deelnemers, onder wie vertegenwoordigers van de raden voor de kinderbescherming, de gezinsvoogdij-instellingen en jeugdhulpverlening.

De mensen uit de jeugdbescherming en de politiek waren naar Ede gekomen om te discussiëren over de Contourennota over de toekomst van de jeugdbescherming die de Stuurgroep Heroriëntatie Jeugdbescherming afgelopen zomer publiceerde. Velen vroegen zich af of het nog wel zinvol was te praten over een nota die daags tevoren door een uitspraak van staatssecretaris Kosto (justitie) al weer achterhaald was. Het plan om de raden voor de kinderbescherming, de voogdij-instellingen en delen van de reclassering samen te voegen tot één bureau jeugdbescherming, zoals neergelegd in de Contourennota, zal in ieder geval in die vorm niet doorgaan, meldde de staatssecretaris. Hoe het dan wel moet zal Kosto binnen een paar dagen per brief aan de Tweede Kamer laten weten. “Als de 19 Raden voor de Kinderbescherming zelfstandig blijven, is er wellicht toch behoefte aan één centrum voor service-verlening”, aldus Kosto. Er zal een onafhankelijke commissie worden ingesteld om te onderzoeken hoe er meer samenhang kan worden gebracht tussen de justitiële en de niet-justitiële hulpverlening, zoals bijvoorbeeld de bureaus Vertrouwensartsen en de Riagg's.

Het Tweede-Kamerlid M. Vliegenthart (PvdA) stelde voor te bekijken hoe de jeugdsectie van de Riagg's meer kan worden ingeschakeld bij de jeugdhulpverlening. Ze vond dat de discussie over de kinderbescherming moet worden afgerond. “Er bestaat wel consensus over wat we niet willen, maar wat we wel willen is nog steeds niet duidelijk.”

Prof.dr. J.D. van der Ploeg, hoogleraar orthopedagogiek aan de Leidse Universiteit, zei dat uit recent onderzoek is gebleken dat jeugdigen die door de Riagg worden behandeld uit gemiddeld hogere milieus komen dan jongeren die in de jeugdhulpverlening terechtkomen en dat “de instellingen voor gezinsvoogdij in verhouding tot de Riagg's de meest problematische jongeren onder hun hoede hebben. Dus de met de minste deskundigheid toegeruste instellingen - en met de minste financiële armslag - moeten hulp verlenen aan de meest problematische jongeren. Dit begint te lijken op klasse-hulp”, aldus Van der Ploeg.