Dijkverlaging

Gaat men bij het onderzoek naar de noodzaak van de dijkverzwaring alleen uit van de vergroting van de fluctuatie in het overstromingsgedrag van de afgelopen dertig jaar? Of ook van de te verwachten demping van de fluctuatie in de komende dertig jaar?

In de jaren zestig tot en met tachtig zijn in de bovenloop van de Rijn en in Nederland vele maatregelen genomen, die versnelling van de waterafvoer tot gevolg hadden. In Zwitserland zijn bossen gekapt t.b.v. de aanleg van ski-pistes. In Duitsland en Nederland zijn vele zijrivieren en beken rechtgetrokken en zijn diep drainerende waterlopen gegraven.

Daarnaast zijn t.b.v. stadsuitbreiding of aanleg van industrieterreinen nog uiterwaarden van de Rijn ingedijkt en daarmee onttrokken aan het waterbergend vermogen. Zware regenval komt nu zeer snel in de Rijn en de uiterwaarden terecht als hoogwatervloed met risico's voor de winterdijken.

Als bij het onderzoek naar de noodzaak van de dijkverzwaring uitgegaan wordt van deze piek in de waterafvoerversnelling en dit minimum in de omvang van de uiterwaarden, dan komt al snel de conclusie dat de rivierdijken maar verzwaard moeten worden.

Er is echter ook een andere tendens: watertekort dreigt, wereldwijd, maar ook in de Rijnoeverstaten. De landbouw heeft in het eens zo natte Nederland met periodieke droogteverschijnselen te kampen. In de natuurgebieden gaan de eiken op te diep ontwaterde bodems dood. Veel soorten, die bij natte omstandigheden passen, verdwijnen. Het waterverbruik stijgt nog steeds en de diepe grondwaterwinning komt in de problemen door vervuiling van het diepe grondwater.

In Duitsland gelden al wetten en zijn plannen klaar voor allerlei waterretentiemaatregelen. Iedere stad gaat de waterafvoer vertragen door ervoor te zorgen dat het regenwater dat op bebouwde of bestrate oppervlakten terecht komt weer in de grond kan doordringen. In het landelijke gebied zijn de laatste 10 jaar al enkele beken "gerenatureerd'. De in de laatste dertig jaar rechtgetrokken beken krijgen nu weer ruimte om te meanderen, waarbij het regenwater langer wordt vastgehouden in het stroomgebied en niet meer als een reuze vloedgolf in de Rijn terecht komt. In Nederland is veel onderzoek gedaan naar waterretentiemogelijkheden en liggen plannen te wachten op uitvoering.

Op langere termijn zal de noodzaak tot dijkverzwaring duidelijk afnemen vooral door de maatregelen in Duitsland, dat een groot deel van het stroomgebied van de Rijn inneemt.

Op korte termijn, in de volgende decennia, waarin nog te weinig van de waterretentieplannen is uitgevoerd, maar ook de dijkverzwaring nog niet is afgerond, blijft het risico voor de dijken bestaan. Hiervoor zou men naar tijdelijke oplossingen kunnen zoeken, ervan uitgaand dat de overstromingen goed voorspelbaar zijn en dat periodieke overstromingen goed samengaan met het gebruik als grasland.

* Het eerst komen voormalige uiterwaarden in aanmerking, om als reserve waterbergingsgebieden te dienen. Het Rijnstrangengebied is nog niet lang geleden op de rivier veroverd, heeft daarom relatief weinig bebouwing en is gunstig gelegen ter bescherming van het benedenstroomse gebied. De Marspolder ten zuiden van Rhenen is al in de vorige eeuw aan de rivier onttrokken. Hier zou aan dijkverplaatsting gedacht kunnen worden zodat de uiterwaarden hier in een deel van deze polder ca. 250 ha uitbreiden, ten koste van binnendijks gelegen komgrasland.

* Een tweede type bovenstrooms gelegen reservegebied zou in de komgebieden tussen de rivieren b.v. in de Betuwe, gezocht kunnen worden, waar tot de 14e eeuw de waterberging van nature plaats vond. Ook nu nog zijn deze zware kleigronden overwegend in gebruik als grasland, omdat ze weinig geschikt zijn voor andere typen gebruik.

* Benedenstrooms, waar de invloed van de zee op de rivieren wel zal toenemen, worden de mogelijkheden onderzocht om de voormalige inundatiegebieden van de Waterlinie als derde type reserve waterbergingsgebied aan te wijzen.

Bovengenoemde oplossingsrichtingen zullen niet zonder kosten en problemen te verwezenlijken zijn, maar deze ideeën eerbiedigen zowel de rivieren, door deze weer meer ruimte te geven, als het cultuurlandschap dat onze eeuwenlange worsteling tegen het rivierwater en de vijand zo fraai weerspiegelt. Zovelen voor mij hebben de schoonheid van het huidige Rivierengebied poëtisch beschreven en geschilderd, vele bezwaren van de dijkverzwaring uitgelegd.

Vooral het kronkelende karakter van de steile dijken maakt, dat het Rivierengebied zo goed is te onderscheiden van andere landschapstypen, waar de rechte lijn domineert en daardoor zijn ze essentieel voor de landschapsdiversiteit in Nederland, een belangrijk beleidsdoel in de Vierde Nota Ruimtelijke ordening.

Rest mij de hartekreet... praat niet recht wat krom is.