D'haen kritisch bij uitreiking prijs

DEN HAAG, 29 OKT. “Wie de dichtkunst wil, moet de dichter willen.” Deze provocerende stelling poneerde de Vlaamse dichteres Christine D'haen gisteren bij het in ontvangst nemen van de Grote Prijs der Nederlandse Letteren uit handen van Koningin Beatrix. Door prijzen te geven lijkt het weliswaar of de maatschappij de kunst steunt, maar volgens de 69-jarige dichteres schiet het huidige beleid van opdrachten en werkbeurzen voor dichters nog altijd ernstig tekort. Voor Christine D'haen zijn de meeste dichters, net als zij zelf, lyrici. Zij zijn afhankelijk van visioenen, waarvan ze onmiddellijk verslag moeten uitbrengen, in een vorm die met de tijd en de plaats variëert. Hoe kunnen zij, zo vroeg ze zich af, nu een project indienen voor iets waarvan zij niet weten of zij het kunnen? Lyrici weten van tevoren niet wat hun onbewuste hun zal tonen. Zullen hun kunde en kracht toereikend zijn om de vreeswekkende visioenen die zij krijgen met vorm te beheersen?

Tijdens het voorlezen van het juryverslag wees voorzitter prof. Anne Marie Musschoot erop dat Christine D'haen vooral was bekroond vanwege haar authenticiteit. Haar dichtbundels waren lange tijd in strijd met wat er elders werd geschreven, "tegen de klok in, naar de wereld van Vondel en Milton', totdat ze door hun verwijzingen naar vroeger plotseling uiterst actueel werden.

Tijdens de ontvangst na afloop van de plechtigheid, bleek dat er binnen de Nederlands-Vlaamse jury lange tijd over drie kandidaten is gepraat. Omdat de prijs drie jaar geleden naar een Nederlander was gegaan (Gerrit Kouwenaar), stond vast dat het deze keer een Vlaming moest zijn. Drie chrijver kwamen in aanmerking: Ivo Michiels en Paul de Wispelaere en de huidige winnares. Omdat er tegen D'haen de minste weerstand bestond, gingen de 30.000 gulden van de prijs uiteindelijk naar haar.

    • Reinjan Mulder