De rechter peuzelt zijn prooi op

Raskolnikov. Regie: Robert Wiene. Met: Grigori Chmara, Pavel Pavlov, Maria Krisjanovskaja, Michael Tarchanov. In Amsterdam, Nederlands Filmmuseum (dagelijks tot en met 4 november).

De afgelopen jaren heeft het Nederlands Filmmuseum een aantal belangrijke oude films weten te restaureren of zelfs herontdekken. Vaak bleek de incidentele vertoning in eigen huis of tijdens een festival ontoereikend om een breder publiek dan de filmhistorische specialisten van het internationale belang van die activiteit te overtuigen. Het is dan ook een bijzonder geslaagd initiatief van het Filmmuseum om de uit verschillende kopieën samengestelde, nagenoeg complete versie van Robert Wienes Raskolnikov (1923) een week lang dagelijks te vertonen, begeleid door muziek die eveneens gebaseerd is op de oorspronkelijke notities van Max Tak bij de eerste vertoning in het Tuschinski-theater en die uitgevoerd wordt door Stefan Ram (piano) en Ton van Erp (contrabas en "pandemonium", een uit verende, draaiende en anderszins bewegende metalen elementen samengestelde, natuurlijke klankbron).

Bij de première werd Raskolnikov, gebaseerd op Dostojevski's Misdaad en straf, gemengd ontvangen. Het was een prestigeproduktie van de regisseur van Das Kabinett des Dr. Caligari (1919), de oerbron van het Duitse filmexpressionisme. De hoofdrollen werden gespeeld door Russische acteurs van Stanislavski's Moskauer Kunsttheater en Peter Sjarov trad als adviseur op. De decors, ontworpen door Andrej Andrejev, de latere vormgever van Pabst, Feyder en Clouzot, gaan een stapje verder dan de direct aan het onderbewustzijn ontleende, anti-naturalistische decors van Caligari. In Raskolnikov zijn Andrejevs decors driedimensionaal, zodat Grigori Chmara als de gekwelde student Raskolnikov de scheve en eindeloze trap naar zijn huurkamer ook letterlijk op kan lopen.

In het blad van de Filmliga (1928) noemde Menno ter Braak Raskolnikov "verouderd" en "prinicipieel niet op den juisten weg": "Men drukt geen gevoelens uit door de film, wanneer men een deur scheef zet of een gevaarlijk hellend huis construeert; de emotie van het beeldvlak sluipt tusschen de statische gegevens door en is in den samenhang der beelden te vinden.' Precies dat gebrek aan coherentie tussen de zwaar aangezette decors en het juist naar psychologische diepgang en nuance zoekende spel van de Stanislavski-acteurs werden Wiene verweten.

Met de afstand van een kleine zeventig jaar en de herinnering aan Wienes meesterwerk Caligari nog slechts aanwezig als een verre echo, vallen die bezwaren wel mee. De acteerstijl, hoe relatief subtiel ook, komt voor een moderne toeschouwer toch van een andere planeet en een auomatische correctie voor melodramatische aberraties lijkt bijna ingebouwd wanneer men naar een dergelijke film kijkt. De afstand tussen het expressionisme van de vormgeving en het naturalisme van de acteurs is nu dus niet zo groot meer. Er zijn enkele meesterlijke scènes in Raskolnikov, moest ook Ter Braak toegeven, al is de speelduur van de nu getoonde kopie, bijna twee en een half uur, aan de lange kant. Het sterkst werkt nog steeds de confrontatie tussen Raskolnikov en de onderzoeksrechter Porfiri Petrovitsj, met modern "understatement" en een Jack Nicholson-achtige grijns vertolkt door Pavel Pavlov. Gezeten voor een glas-in-loodraam, dat aan een spinneweb doet denken, peuzelt de onderzoeker langzaam zijn prooi op, in de wetenschap dat Raskolnikov de moordenaar moet zijn, en dat deze zichzelf nog wel zal ophangen.

Dan wordt ook de actualiteit van het filmexpressionisme, met zijn aandacht voor morbide psychologie, misdaad en symbolische decors duidelijk. Er wordt nog steeds veel uit geciteerd, bijvoorbeeld in Batman Returns, waar de schurk de naam kreeg van Max Schreck, de titelrolvertolker uit Nosferatu. De tijd is rijp voor een herwaardering van het genre, dat achteraf toch meer met de horror-traditie te maken had dan met verstopte referenties aan de politiek van de Weimarrepubliek, zoals alle geleerden zijn gaan geloven onder invloed van Siegfried Kracauers beroemde naslagwerk "Von Caligari bis Hitler".

    • Hans Beerekamp