De illusie van de nieuwe wereldorde

Als opmaat voor de Golfoorlog lanceerde president Bush zijn concept van de nieuwe wereldorde. Van meet af aan was duidelijk waarvan Bush sprak: veiligheid en voorspoed voor alle naties. Maar hoe die orde moest worden gevestigd en gehandhaafd, bleef vaag. In die zin week Bush niet af van de opstellers van het Atlantisch Handvest in 1941 en evenmin van de auteurs van het Handvest van de Verenigde Naties drie jaar later. Ook in die twee documenten worden veiligheid en voorspoed als doelen genoemd en blijft de weg ernaar toe verhuld. De VN kennen weliswaar regelgeving voor staten om zich tegen agressie te weren en voor de eigen dochterorganisaties om noden te lenigen, maar in de praktijk is dat nog lang geen garantie voor veiligheid onder alle omstandigheden, laat staan van voorspoed voor iedereen. Het dagelijks nieuws wordt beter verspreid dan het dagelijks brood.

Het is de Amerikaanse president kwalijk genomen grote woorden te hebben gebruikt om de VN en het Amerikaanse volk achter zijn interventie in Koeweit en Irak verenigd te krijgen. De consensus over die interventie was slechts tijdelijk. Voordat de vijandelijkheden uitbraken was het bezwaar dat de prijs te hoog zou oplopen en dat de orde verder zou worden verstoord in plaats van hersteld. Toen de Amerikanen hadden gezegevierd, verlegde de kritiek zich naar het aanblijven van Saddam Hussein: een nieuwe orde was er ten slotte niet gevestigd.

Het repeterende gesoebat bij Bagdad om toestemming voor de toegezegde internationale inspecties onderstreept dat de rechtskracht van handvesten, verdragen en overeenkomsten, kortom van de instrumenten van het volkenrecht, afhankelijk is van de beschikbare machtsmiddelen. Wie, zoals Bush, een toekomst aankondigt van internationale gerechtigheid en rechtvaardigheid en het verder daarbij laat, neemt een zware verantwoordelijkheid op de schouders. Als het er in werkelijkheid om gaat wat Bruin kan trekken moet dat maar beter direct worden vermeld. Zoals Paul Scheffer vorige week in deze krant schreef over militaire interventie ter bevordering van vrede en mensenrechten: “...tegen het repressieve regime in China, zal geen sterveling militaire actie overwegen”.

Als kan worden toegegeven dat het internationale recht per definitie selectief wordt toegepast, kan veel verontwaardiging achterwege blijven. En kan vrijgekomen energie worden besteed aan het beantwoorden van de vraag waarom dat zo is. Uit de geschiedenis van de Koude Oorlog blijken dan nuttige lessen te kunnen worden getrokken. De hoeksteen van de Koude Oorlog was de afschrikking, later door de Amerikaanse minister van defensie, Robert McNamara, uitgedrukt in de afkorting MAD, mutual assured destruction: wederzijds verzekerde vernietiging. Maar MAD was in zekere zin een gekunstelde verfijning, want afschrikking had al gewerkt lang voordat McNamara aantrad, zij het in bedekte vorm.

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog legden de westelijke geallieerden zich neer bij Stalins Diktat in Oost-Europa omdat zij niet van zins waren een confrontatie met het Rode leger aan te gaan. De Gaulle's kritiek op de overeenkomsten van Jalta van 1945, waar volgens de generaal Roosevelt, Stalin en Churchill Europa onder elkaar hadden verkwanseld, was verklaarbaar, maar de Franse staatsman hield geen rekening met de werkelijke machtsverhoudingen op dat moment, zowel aan de "ontmoetingslijn' als ook bepaald door de oorlogsmoeheid aan het thuisfront van de westelijke geallieerden. (Het Amerikaanse bezit van de kernbom werd tijdens de conferentie van Potsdam aan de bondgenoten bekendgemaakt, maar speelde verder geen rol.)

Afschrikking was vervolgens van invloed bij de Sovjetinterventie in Hongarije in 1956. Het Westen beschikte toen over een nucleair overwicht, de Amerikaanse concepties van die tijd voorzagen zelfs in de principiële bereidheid om "to the brink of war' te gaan, maar de afschrikwekkende werking van de Sovjetstrijdkrachten was zo groot dat ondanks heftige emoties onder de burgerij het Westen de hernieuwde onderwerping van de Hongaren voor kennisgeving aannam. Het valt overigens op dat in beide gevallen de afschrikking slechts in één richting werkzaam was: de Sovjet-Unie deed waar zij zin in had.

Er is dus nog een factor in het spel dan volkenrechtelijke regels alleen, wanneer wordt bepaald of er al dan niet gewapenderhand zal worden ingegrepen ten behoeve van vrede, veiligheid, voorspoed en mensenrechten. In de jaren zeventig bijvoorbeeld bracht de internationale gemeenschap de genocide waaraan de Rode Khmer zich schuldig maakte terug tot de vraag welk regime Cambodja in de VN mocht vertegenwoordigen: het werd een gezelschap waarin de Rode Khmer was opgenomen. Dat nu opnieuw behoedzaam met die moordenaarsbende wordt omgesprongen, is een rechtstreeks gevolg van de ondersteuning van de Rode Khmer door communistisch China. Ook China's afschrikwekkende werking strekt zich tot over zijn grenzen uit.

Uiteindelijk gaat het om een subjectieve, tijdgebonden afweging van kosten en baten. Ten aanzien van het voormalige Joegoslavië is de uitkomst een beperkte bemoeienis die bovendien afhankelijk is gemaakt van de instemming van de oorlogvoerende partijen. Een bonte verzameling extremisten, in de media milities genoemd, saboteert intussen die beperkte interventie waar het maar mogelijk is, in de gerechtvaardigde vooronderstelling dat men zich het nodige kan veroorloven zonder op wezenlijke tegenstand te stuiten. Die tactiek van willekeurig geweld schrikt de internationale gemeenschap doeltreffend af van verdergaand ingrijpen.

Met de nodige flair had het Westen zich na de val van de Muur uitgeroepen tot de vredeshandhaver bij uitstek. Nu het conflict tussen Oost en West ter ziele was, dienden zich nieuwe "veiligheidstaken' aan. Een reeks van organisaties drong zich op maar de verschillende regeringen hadden zo hun eigen voorkeur. De oude tegenstelling Atlantisch of Europees kwam tot nieuw leven. De actie in de Golf had echter plaats onder leiding van de Verenigde Staten. Atlantisch of Europees deed er bij die gelegenheid niet toe.

Inmiddels is de flair al weer verdwenen. Het is zwaarder dan verwacht om bij de waarborging van vrede en recht de daad bij het woord te voegen. De vraag welk typen strijdkrachten voor interventie beschikbaar moeten komen, staat weliswaar in het middelpunt van de aandacht, ook in Nederland. Maar over de limieten van interventie wordt weinig vernomen. De redelijk populaire voorwaarde dat ingrijpen in ieder geval onder de vlag van de VN en met instemming van betrokken partijen dient te gebeuren, beperkt, zo is wel gebleken, de kans op succes aanzienlijk.

De ervaring die momenteel met bemoeienis van buitenaf wordt opgedaan in conflictgebieden als Joegoslavië, Somalië, Liberia en Georgië, om er een paar te noemen, stemt tot terughoudendheid. De nieuwe wereldorde is niet meer dan een illusie, de afschrikking van solide rechtshandhaving is in de meeste gevallen een realiteit.

    • J.H. Sampiemon