Burgerdienst een realistisch toekomstbeeld

In het kielzog van de discussie over militaire dienstplicht is de sociale dienstplicht weer boven water gekomen. De discussie blijft in de sfeer van lacherig of schamper reageren dan wel aanprijzen of afwijzen met summiere argumenten.

Zo staat men invoering van sociale dienstplicht voor op grond van overwegingen van rechtvaardigheid tegenover hen die in actieve militaire dienst moeten. Dit is echter een zo omvangrijke en ingrijpende operatie, dat men zich moet afvragen of er geen compensaties zijn die direct ten goede komen aan deze groep.

Een ander motief, dat CDA-politici aanspreekt, is de vormende waarde van sociale dienst. Onderzocht zou moeten worden wat sociale dienst nu precies toevoegt aan de vormende werking van studie en werk. Sociale dienst is niet vergelijkbaar met militaire dienst. In het algemeen zal er geen sprake zijn van communaal leven of collectieve arbeid en dus ook niet van intensief verkeer met andere bevolkingscategorieën. Sociaal dienstplichtigen zullen overwegend individueel werken in gewone banen. Andersoortige banen dan zij in hun beroepsleven willen vervullen, dat wel. Maar veel jongeren van nu hebben naast hun studie ook bijbaantjes van allerlei aard.

Een serieuze discussie is op haar plaats als het argument arbeidsvoorziening wordt gehanteerd. Er wordt in de nabije toekomst een grote, onvervulde behoefte voorzien aan zorg voor vooral ouderen en gehandicapten. De informele zorg zal namelijk steeds verder afnemen doordat steeds meer vrouwen betaalde arbeid gaan verrichten, en de formele zorg zal niet kunnen inspringen door gebrek aan geld en arbeidskrachten. Daarnaast zijn er dan nog tal van taken op het gebied van milieu, veiligheid, recreatie en cultuur die nu blijven liggen, maar die als ze wel uitgevoerd worden, de samenleving aanmerkelijk schoner, veiliger en comfortabeler zouden maken.

Tegenstanders brengen daarop het argument van "dwangarbeid' in het geding onder verwijzing naar internationale verdragen die gedwongen arbeid verbieden. Meer specifieke argumenten zijn, dat het tekort aan zorg opgeheven moet worden door er meer collectieve middelen aan te besteden en de kwaliteit van de arbeid(somstandigheden) te verbeteren, als ook dat onwillige, onverschillige dienstplichtigen nu niet direct goede verzorgers zullen zijn.

De argumentatie weerspiegelt het feit dat dienstplicht een aan ons sociaal-economisch stelsel wezensvreemd element is. Dat geldt natuurlijk evenzeer voor militaire als voor sociale dienstplicht en het is niet toevallig dat dit instituut op weg is naar opheffing. Wij leven in een geldeconomie waarbinnen zich een voortgaande functionele differentiatie en professionalisering voltrekken. De eertijds vele functies van primaire leefverbanden (gezin en familie) zijn vrijwel alle overgeheveld naar gespecialiseerde instellingen waarin mensen werken die deze functies beroepsmatig behartigen. Hun arbeid wordt betaald met geld. Een belangrijk deel van de zorg valt nog steeds buiten de geldeconomie, maar de vrouwen, die deze zorg verlenen, worden meer en meer ingeschakeld in betaalde arbeid. De geldeconomie wordt totalitair. De aangewezen weg lijkt dan de eertijds informeel verleende zorg voortaan beroepsmatig te laten vervullen. Dat komt ook overeen met de voorkeur van vele zorgbehoevenden voor beroepsmatige hulp. De vraag is echter of we hiermee niet (eens te meer) aan de "grenzen van de verzorgingsstaat' komen. Bezuinigingen op de zorg zijn immers al aan de orde van de dag. En zelfs al zou er geld voor zijn, dan nog is de vraag of er in de toekomst voldoende aanbod van arbeid zal zijn voor dit laag betaalde werk.

Als oplossing zou men de voorwaarden kunnen scheppen voor handhaving van de informele zorg door invoering van een (gedeeltelijk) basisinkomen zonder arbeidsplicht. Maar ook dit kost geld en tot nog toe is het basisinkomen zelfs niet bespreekbaar. Sinds het WRR-rapport uit 1985 hierover onmiddellijk op de schroothoop belandde, is er geen woord meer aan vuil gemaakt.

Conclusie: er bestaat een conflict tussen verzorgingsbehoeften en -wensen, anders gezegd tussen onze verzorgingsstandaard en het geld dat wij kunnen besteden respectievelijk ervoor over hebben om die standaard te handhaven. Als we eraan hechten om de verzorgingsstaat in stand te houden, dan moeten nieuwe, onorthodoxe oplossingen worden gezocht. Eén daarvan is dat taken die nu blijven liggen omdat de vrouwen zijn gaan bijdragen aan het nationaal inkomen, uitgevoerd worden door andere bevolkingscategorieën of de hele bevolking. Men zou dit burgerdienst kunnen noemen, een uitvloeisel van het burgerschap, de wederkerige relatie tussen burger en staat, die meer verplichtend is dan abstracte "verantwoordelijkheid' en indirecte, via de staat bemiddelde en uitgemeten "solidariteit'. Het begrip burgerschap wordt weer wat meer gebruikt, maar toch vooral in verband met de rechten die eraan verbonden zijn. De plichten bestaan voornamelijk uit het afdragen van inkomsten, door de burger wellicht minder als plicht met een moreel gehalte dan als onvermijdelijke noodzaak gezien. Maar als de geldelijke bijdrage niet toereikend is, dan zou dat een reden kunnen zijn om die "in natura' te eisen, als fysieke inspanning. Een dergelijke eigen inspanning, een kleine weliswaar, wordt al gevraagd bij het zelf scheiden van afval. Vermoedelijk zullen dergelijke burgerplichten in de toekomst veelvormiger en talrijker worden.

Hier moet meteen aan toegevoegd worden dat ook burgerdienst geld kost. Jongeren zouden toch een vergoeding moeten krijgen, die ongeveer de hoogte van het bij hun leeftijd passende minimumjeugdloon heeft. Een kostenafweging is nodig. Een bijkomend probleem is de verdringing. Bij de verschillende regelingen ter bestrijding van de werkloosheid bleek dat verdringing tot op zekere hoogte onvermijdelijk is en dat het vrijwel onmogelijk is dat te controleren. Bij burgerdienst zal dat niet anders zijn.

Als burgerdienst de vorm krijgt van een jaar werken door jongeren behoeven zij niet noodzakelijk ongemotiveerde, slechte werkers te zijn. Er is keuzemogelijkheid van banen en het werk is zinvol. De Duitse "Zivis' (massale aantallen militaire dienstplichtigen die vervangende Zivildienst doen) zijn gewaardeerde arbeidskrachten.

Alle genoemde redenen ten faveure of tot afwijzing van burgerdienst zouden nader onderzocht en tegen elkaar moeten worden afgewogen. Het onderwerp verdient een grondiger behandeling dan het tot nu toe krijgt in Nederland (in tegenstelling tot bijvoorbeeld in Amerika of Zweden). Sociale dienstplicht lijkt een anachronisme, burgerdienst is misschien een realistisch toekomstbeeld.

    • H.M. Langeveld