Bivak op het kerkhof

Heimwee naar de dood. Regie: Ramón Gieling. Amsterdam, Rialto.

Alleen wie beschikking heeft over het bericht dat Ramón Gieling schreef ter begeleiding van zijn lange filmessay Heimwee naar de dood, zal zich ten volle realiseren waar Gieling met deze film naar toe heeft gewild. Hij heeft geprobeerd om "de kracht en invloed van een onmogelijk begrip door te lichten', staat er, namelijk "de dood'. Met dat voornemen vertrok Gieling met een filmcrew naar het land waar al vele kunstenaars hem voorgingen wanneer ze wilden tonen hoe de dood ingrijpt in het leven. Naar Mexico dus, want daar worden schedeltjes van suikergoed gegeten, fladderende skeletjes verkocht bij wijze van speelgoed en met Allerzielen bivakkeert men er op de graven van geliefden om samen met de doden een twee etmalen durend festijn aan te richten van eten, drinken en plezier maken.

Gieling kwam er niet uit. Hoezeer hij ook poogde de dood te benaderen, die bleef zich onttrekken aan zijn film en Gieling bleef zitten met een verzameling omtrekkende bewegingen. Hij vond een aantal Mexicanen in wier leven de dood een grote plaats inneemt: een welgestelde, elegante oudere vrouw, een priester met een drankprobleem, een armoedige, wraakzuchtige oude man met een pistool. Allen vertellen ze over hun ervaringen met de dood en we zien ze vluchtig in gesprek met mensen uit hun dagelijks leven: de vrouw met haar schwärmende intellectuele vriendenkring, de oude man met het meisje dat hij onderricht geeft in een oorspronkelijke Mexicaanse taal, de priester bij een dodewake van zijn parochianen.

Deze "personages' en hun ideeën over de dood en hun doden plaatste Gieling tegen een decor van teksten van Octavio Paz. Om de een of andere (welke?) reden worden die door een eenzame man op luide toon gereciteerd in een onbarmhartig spotlight dat zijn plaats verlicht in de nachtelijke, bijna lege arena. Halverwege treedt er nog een personage toe, de obscuur gehouden ondervrager Augustn. Wat hij wil blijft in het ongewisse.

Omdat Gieling verzuimt duidelijk te maken wie al deze mensen zijn en wat de waarde van hun woorden is, ontaarden hun verhalen en ontmoetingen in een brei van onbestemde suggesties en verwijzingen. Om de mensen en hun gedachten toch te verhelderen omkleedde Gieling ze met, helaas weer cryptische handelingen. Wat moeten we met de dame (pas tegen het einde van de film blijkt dat ze schilderes is) die haar dienstmeid van hot naar her laat zoeken naar het sigarettepijpje dat ze onder een kussen in haar stoel blijkt te hebben? Waarom loopt die oude man steeds met dat plantje langs de straat?

En dan wordt, bijna gratuit, de invloed van de Indianen op uit het westen afkomstige, religieuze rituelen en op de algemeen geldende doodssymbolen nagegaan, soms in een filmische weergave van eerste indrukken, vaker in tegen de folklore aanhangende beelden. De quasi-poëtische nadruk ligt op de dolende Azteekse honden die door de oorspronkelijke bevolking van Mexico als gids voor een gestorvene werden beschouwd. Zou Gieling hebben gedacht aan de laatste zin van het boek over de dood in Mexico, Malcolm Lowry's Under the Volcano? Diens wanhopig dronken Consul verdwijnt in de dodelijke, troostende diepte van de vulkaan die hem de roman lang heeft gelokt. “Iemand gooide hem een dode hond na in het ravijn,” schreef Lowry en met dat ene droge laatste regeltje zei hij meer over de zin van de dood binnen het smachtende leven dan Gieling in zijn complete film.

    • Joyce Roodnat