14.933 VOC-archiefstukken eindelijk in kaart

Gisteren verscheen eindelijk, na bijna 200 jaar, de inventaris van de archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie in druk. Een unieke geschiedbron ontsloten.

De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie. The Archives of the Dutch East India Company. (1602-1795). Algemeen Rijksarchief, Eerste Afdeling. Eindredactie R. Raben. Den Haag, SDU Uitgeverij 1992. 555 blz. ƒ 195,-. ISBN 90 12 08012 6.

Bijna 1,3 strekkende kilometer archivalia, bestaande uit 14.933 genummerde documenten variërend van losse bladen tot 35 centimeter dikke folianten. Dat is wat er in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag resteert van de archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC), de roemruchte handelsorganisatie die in de zeventiende en achttiende eeuw de basis legde voor ongekende welvaart en een koloniaal rijk.

De VOC-archieven behoren tot de grootste van het Rijksarchief en uit historisch oogpunt beslist tot de belangrijkste. Ze werpen niet alleen licht op de economische geschiedenis van de Republiek der Nederlanden, maar zijn ook van onschatbare waarde voor de politieke, militaire en bestuurlijke geschiedschrijving van de Aziatische landen die zich in het VOC-octrooigebied bevonden.

Gisteren werd in Den Haag, in aanwezigheid van de ambassadeurs uit tien van deze landen, het definitieve boek over de VOC-archieven gepresenteerd. Het gaat om een volledige inventaris, aangevuld met historische inleidingen en een gebruikershandleiding. Volgens de eindredacteur, de 30-jarige aio Remco Raben, is naar deze publicatie door historici al tientallen jaren reikhalzend uitgezien.

En dat terwijl de inventaris toch al in 1963 praktisch klaar was. Het brein erachter was mevrouw M.A.P. Meilink-Roelofsz (1905-1988), een markante archivaris-geleerde die haar carrière bij het Algemeen Rijksarchief in 1929 als volontair begon, om deze 41 jaar later als Rijksarchivaris en Hoofd van de Eerste Afdeling (dat wil zeggen de afdeling Nederland vóór 1795) af te sluiten.

Raben: ""Het was Meilink-Roelofsz die de VOC-archieven ordende en ze hun huidige vorm gaf. Historici werken al sinds 1963 met haar getypte inventaris, maar om die te raadplegen moeten ze wel naar Den Haag komen. Het lag steeds in de bedoeling om de inventaris te publiceren, opdat men hem ook in bijvoorbeeld Japan of Indonesië kan raadplegen. Oorspronkelijk wilde mevrouw Meilink-Roelofsz de lijst zelf opnemen in een groot boek over de VOC, maar van die publicatie is het nooit gekomen. Het projekt werd verder vertraagd doordat verschillende andere deskundigen in de tussentijd overleden. De aanzet tot de huidige uitgave werd pas in 1988 gegeven.''

Heren XVII

Hoe omvangrijk de bewaard gebleven archieven van de VOC ook mogen zijn, het is maar een fractie van het oorspronkelijke totaal. De geschiedenis van de VOC-archieven is een rampzalige opeenstapeling van verwaarlozing, veiling en vernietiging, pas sinds het midden van de negentiende eeuw gevolgd door conservering, ordening en vertroeteling.

Het gaat niet om één archief, maar om meerdere: de verschillende delen van de verzameling zijn afkomstig van de zes kamers waaruit de VOC bestond. Van die zes kamers (Amsterdam, Middelburg, Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen) waren Amsterdam en Middelburg de belangrijkste. Amsterdam was verantwoordelijk voor de helft van alle operaties van de VOC, Middelburg voor een kwart. Samen herbergden ze dan ook het grootste deel van de archieven.

De hoeveelheid archivalia die tussen de oprichting in 1602 en de liquidatie in 1795 accumuleerde, was enorm. De VOC rustte in die periode in totaal zo'n 4700 schepen uit met aan boord 972.000 opvarenden. De opbrengsten van de uit "Indië' (lees Azië) aangevoerde retourgoederen bedroegen ruim 2,2 miljard gulden.

Alle belangrijke documenten met betrekking tot de bedrijfsvoering werden nauwgezet gearchiveerd. Niet alleen de beleidsstukken van de Heren XVII (het centrale bestuursorgaan van de VOC), maar ook besluiten van de directeuren van de diverse kamers, de volledige personeelsadministratie en de uitrustingspapieren van de schepen. En, niet te vergeten, de grote hoeveelheid overgekomen brieven en papieren uit Indië, met allerhande informatie over de toestand in het octrooigebied. In Amsterdam werden de papieren eerst in het schrijf-of klerkenkantoor in het Oostindisch Huis aan de Oude Hoogstraat bewaard, later in een speciale charterkamer.

Raben: ""De VOC was een administratieve wirwar, er was sprake van een overmaat aan verslaglegging. Door de ingewikkelde federale struktuur legde iedereen verantwoording af aan iedereen. Van een brief uit Ceylon aan de Heren XVII gingen bijvoorbeeld kopieën de kamers in Zeeland en Amsterdam, en naar Batavia, van waaruit bovendien ook weer afschriften werden gemaakt voor Zeeland en Amsterdam.''

Deurvanger

Na de opheffing van de VOC in 1795 gingen de VOC-archieven over aan de staat. Ze werden zo veel mogelijk bij elkaar gevoegd en in Amsterdam opgeslagen. Voor documenten die licht konden werpen op de militaire en politieke geschiedenis bestond wel enige historische interesse, maar de economische en financiële bescheiden werden beschouwd als "een partij overvloedige en grotendeels nutteloze boeken en papieren uit de vorige eeuw'.

De Zeeuwse VOC-kamer bood lang weerstand tegen het afstaan van zijn archieven aan Amsterdam. Een fanatieke plaatsvervangend-secretaris, Pieter Pous, wist te voorkomen dat de documenten als scheurpapier aan de Fransen werden verkocht. Ook wist hij Napoleon, die tijdens een rondleiding op het lumineuze idee kwam om de Oostindische charterkamer in Middelburg om te bouwen tot ziekenzaal, ervan te overtuigen dat dit, wegens te verwachten stookproblemen en de onhandige ligging op drie hoog, weinig praktisch zou zijn.

In Amsterdam intussen brokkelden de VOC-archieven gestaag af. In de winter van 1821-22 werden bijvoorbeeld een kleine 10.000 banden van het VOC-betaalkantoor bij opbod verkocht. In de vroege jaren 1830 werden de archieven overgebracht naar het Westindisch Slachthuis aan de IJkant. Daar was veel te weinig plaats, zodat er nog eens vele duizenden archivalia van het betaalkantoor moesten worden weggegooid (5.136 banden en 1.851 brievenboeken). De weggooicriteria waren volstrekt pragmatisch: alles wat oud was kon weg, alleen wat nog van nut was voor de lopende bedrijfsvoering werd in principe bewaard. In 1851 gaf de Middelburger Pous zijn verzet op en werd het Slachthuis 6.250 kilo Zeeuws archiefmateriaal rijker. Van de vier kleine kamers bleef alleen een gedeelte van de personeelsadministratie bewaard.

Pas rond 1840 ontstond er academische belangstelling in de VOC-archieven en kwam er een publieke lobby op gang om ze te behouden voor historisch onderzoek. De toestand van het archief aan het Slachthuis was deplorabel. Zo werd een van de belangrijkste documenten, het oorspronkelijke aandeelhoudersregister uit 1602, op de grond aangetroffen als deurvanger.

De publieke verontwaardiging over de staat van de archieven had effect. In 1856 gingen ze over naar de Rijksarchieven in Den Haag. Daar werden ze onder handen genomen door archivaris J.K.J. de Jonge, die zijn opvolgers veel werk bezorgde door de banden met overgekomen brieven en papieren uit elkaar te halen en "beter' te rubriceren. Deze wijze van archiveren druist vierkant in tegen de moderne opvattingen, die uitgaan van respect des fonds (de stukken zo veel mogelijk terugbrengen in de vorm waarin ze oorspronkelijk zijn gearchiveerd). Mevrouw Meilink-Roelofsz ging in haar uiteindelijke ordening in de twintigste eeuw ook van dit principe uit.

De 1277 meter die thans resteert is verre van compleet, maar vormt nog steeds zeer belangrijk bronnenmateriaal voor historici. Raben: ""De VOC was niet zo maar een bedrijf, maar een onderneming met de souvereiniteit van een staat. De compagnie was gerechtigd om in haar octrooigebied in Azië een eigen leger te houden, verdragen met buitenlandse vorsten te sluiten en zelfs recht te spreken. In Nederland was het een bedrijf, in Azië een overheid.

""Het historische belang van de archieven weerspiegelt deze tweeledigheid. De documenten over de bedrijfsvoering in Nederland zijn van belang voor de economische geschiedschrijving hier, in het bijzonder voor het beantwoorden van de vraag hoe het Hollandse "Wirtschaftswunder' van de zeventiende eeuw mogelijk was. De "overzeese' documenten zijn van bijzonder grote betekenis voor de Aziatische politieke, bestuurlijke en militaire geschiedschrijving. Voor sommige samenlevingen daar zijn ze zelfs de enige bron. De VOC-archieven geven inzicht in de plaats van de Europeaan in Azië en in het handelsnetwerk dat daar al bestond.''

Daarnaast vormen de VOC-archieven een belangrijke bron voor de geschiedenis van wetenschap (etnografie, maar ook biologie en taalkunde), techniek (scheepsbouw), demografie (o.a. migratie; uit de soldijkohieren blijkt dat twee derde van de werknemers in de achttiende eeuw uit Duitsers bestond) en biografisch onderzoek (ze bevatten gegevens over bijna een miljoen personen).

Raben: ""Het was hoog tijd dat de VOC-archieven met een goede inventaris werden ontsloten. Te hopen valt dat nog meer historici hun weg naar Den Haag zullen weten te vinden dan tot dusver. Het zal ze niet tegenvallen. De historische sensatie van het werken in deze archieven is enorm.''