Terugblik

Vier uren voor de Veluwezoom, precies die vier uren, zonnig en stil.

Van Velp naar Heiderust, waar mijn opa ligt. Daar achterlangs naar boven, een smal paadje onder vloeiend geel, uitbundig rood gebladerte. Naar beneden en weer naar boven, nog verder naar boven. Tot uiteindelijk de bosrand en bij de volgende oogopslag: de overstelpend open glooiingen van de Posbank.

Neem me niet kwalijk.

Neem me mijn grijns niet kwalijk.

Nee, ik weet hoe hinderlijk het is iemand zo blij te zien. Maar voor mij is dit de ontmoeting met een oude vriend. Als ik eraan gedacht had, had ik me erop verheugd, maar ik heb het maar laten komen en nu overvalt het me, nu breekt het gewoon naar buiten, allemachtig jij hier, en je geeft elkaar een hand met de warmte van een omhelzing.

Ik wrijf over mijn gezicht, rits mijn jas dicht, doe mijn rugzak goed en ga verder.

Toen ik vijftien was had ik als kind mijn ouders verloren. Ik was, mede door het bezit van enkele autofabrieken, onvoorstelbaar rijk. Ik leed aan ziektes die de ridderlijkste gevoelens deden ontwaken bij de meisjes van school. Ik speelde beter dan Coen Moulijn en was altijd beschikbaar voor het Nederlands elftal. Ik was bevriend met God. Ik woonde op de Posbank.

    • Koos van Zomeren