Spanje rijker maar niet gelukkiger onder Gonzalez

Er is alle reden voor een feest, maar niemand wil het komen vieren. Vandaag is het precies tien jaar geleden dat de socialistische arbeiderspartij van Spanje, de PSOE, tot ieders verbazing, inclusief de eigen, 201 van de 350 zetels in het Huis van afgevaardigden veroverde. Daarmee was definitief een einde gekomen aan de periode van onzekerheid na de dood van Franco - een periode die alleen maar achteraf, in het licht van wat we nu weten, "de transitie', de overgang naar de democratie, kan worden genoemd. Juichend verschenen de jeugdige leiders van de partij die oktoberavond in het venster van het Palace Hotel, waarvoor een grote menigte was samengestroomd om de ongelooflijke gebeurtenis te vieren. Een jaar eerder was datzelfde hotel, dat schuin tegenover het parlementsgebouw ligt, nog omringd geweest door soldaten in tanks en agenten met machinegeweren. Men had er het crisiscentrum gevestigd van waaruit de coup van kolonel Tejero werd bestreden. De gemankeerde theaterregisseur Alfonso Guerra en de voormalige armenadvocaat Felipe Gonzalez waren samen met hun collega-parlementariërs een dag en een nacht lang de gevangene van de domme kolonel en zijn slimme, en dus tot op de dag van vandaag onzichtbare, handlangers en opdrachtgevers.

Een herhaling van die gebeurtenissen is ondenkbaar geworden. De militairen hebben zich definitief teruggetrokken uit de Spaanse politiek. Alleen dat al zou nu reden kunnen zijn voor uitbundige felicitaties aan het adres van Gonzalez. Maar onder zijn stabiele bewind is het land ook (veel) rijker geworden, zijn de uitkeringen en pensioenen (een beetje) verhoogd, is het onderwijs toegankelijker geworden en de infrastructuur ingrijpend verbeterd. Spanje is tot de EG toegetreden, in de Navo gebleven, door een binnenlandse bestuurlijkse hervorming de facto een federale staat geworden en heeft dankzij een bekwame diplomatie zijn aanzien in de wereld enorm verbeterd. In 1982 heerste er een economische crisis, net als nu, maar onder de huidige omstandigheden lijkt Spanje veel weerbaarder dan destijds.

Waarom zijn de mensen die tien jaar geleden naar het Palace Hotel stroomden dan nu zo moe en somber? Waarom heerst er een grafstemming in Madrid in plaats van vreugdevolle nostalgie? En waarom moest de PSOE vorige week zelfs een pathetisch stripverhaal uitgeven om de bevolking duidelijk te maken dat er toch heus het een en ander is bereikt?

Een verklaring die vooral buitenlandse commentatoren voor op de tong ligt, is die van de financiële "kater' na het feest van 1992. De Wereldtentoonstelling, de Olympische Spelen, de culturele hoofdstad - het zou allemaal teveel en te hoog gegrepen zijn geweest. Gonzalez denkt van niet. Hij vraagt zich dezer dagen hardop af, of hij de Expo en de Spelen van Groot-Brittannië soms heeft gemist. De crisis in de Engelse economie is immers veel ernstiger dan die van Spanje. Hij heeft gelijk. Natuurlijk waren de feestelijkheden van het afgelopen jaar in de eerste plaats public relations-evenementen, maar als zodanig hebben ze het niet slecht gedaan en ook al hebben ze een lieve duit gekost, ze zijn zeker niet verantwoordelijk voor een dreigend nationaal faillissement. De Spaanse kater is dan ook niet van economische, maar van politieke aard.

Gonzalez heeft zich in het afgelopen decennium ontpopt tot een staatsman van Europees formaat en tot een voorzichtig bestuurder die zich nauwelijks meer beroept op socialistische idealen, maar uitsluitend op het landsbelang. Zijn regering en zijn partij verdedigen plannen en besluiten ook nauwelijks meer in politieke termen, verwijzend naar de wenselijkheid van hun doeleinden of de oirbaarheid van hun middelen, maar eenvoudig als de enige zakelijke mogelijkheid. Politiek als management, als het resultaat van onweerlegbare berekeningen. Wie daarop fundamentele kritiek uit is op zijn best een querulant, maar misschien zelfs wel een fascist of een communist.

De onpolitieke gedachte dat over de koers van de natie eigenlijk niet gedebatteerd hoeft te worden, kon binnen de PSOE stevig wortel schieten doordat na de verkiezingsoverwinning van 1982 nog twee keer een absolute meerderheid werd behaald. Zij heeft echter in de tweede helft van de jaren tachtig geleid tot een stijl van leidinggeven die oppervlakkig gezien vooral technocratisch is, maar vlak onder de oppervlakte een cynisme verbergt dat het vertrouwen ondermijnt in de democratie. Het bedenkelijkste symptoom daarvan is de reeks van corruptiegevallen die in de afgelopen twee jaar aan het licht is gekomen.

Het begon met de broer van vice-premier Guerra die zijn toegang tot de hoogste regeringskringen vanuit een overheidsgebouw te Sevilla gewiekst te gelde bleek te maken, maar inmiddels is duidelijk dat ook de partij zelf commissies ter hoogte van vele miljoenen guldens incasseerde van bedrijven in binnen- en buitenland die met de overheid zaken wilden doen. Bewijzen zijn er te over en de verontwaardiging is algemeen; tachtig procent van de PSOE-stemmers, zo blijkt uit een vandaag gepubliceerde enquête gelooft niet in de ontkenningen van de partij. Maar een parlementair onderzoek liep dood op het gedisciplineerde stemgedrag van de socialisten. Daar schuilt het probleem: als de pakkans gering is, kan alleen de eigen moraal misbruik van macht voorkomen. En moraal is niet meer in de mode, of althans ondergeschikt aan het belang van bestuurlijke continuïteit.

Wat dit laatste betreft verschilt de toestand in Spanje niet zo heel erg van die in de omringende landen. Ook de socialistische partij van Frankrijk en de Duitse sociaal-democraten waren of zijn verwikkeld in financiële schandalen, om van Italië maar niet te spreken. En de neiging om met het badwater van de ideologieën ook maar meteen hun kinderen, de ideeën, weg te gooien is zelfs een mondiale trend. Maar de schok komt harder aan in Madrid en omstreken, omdat de verwachtingen er zoveel groter waren en zoveel jonger zijn.

In West-Europa zijn cynisme en een verlies aan politiek elan voor een goed deel te verklaren als een reactie op de naïeve jaren vijftig, de krankzinnige jaren zestig en de jaren zeventig waarin nog bijna alles kon. In diezelfde tijd werd Spanje bestuurd door een autoritaire generaal die zijn onderdanen verzekerde dat ze de keus hadden tussen complete chaos of de wijsheid van een schipper naast God, in casu hijzelf. Vooral in de tweede helft van Franco's veertigjarig bewind werden praktische zaken echter niet meer overgelaten aan de idealisten van de Falange of aan halfgetikte aristocraten, maar aan energieke managers die hadden leren rekenen aan Amerikaanse universiteiten, al of niet met een beurs van Opus Dei. Verbetering van het economisch management was niet bepaald de belangrijkste eis van de tot 1976 illegale oppositie.

Het is dan ook eigenlijk niet verbazingwekkend dat voormalige medestanders nu het hardste oordeel vellen over tien jaar socialistisch bewind. De bejaarde kardinaal Tarancón, die als voorzitter van de bisschoppenconferentie een cruciale rol speelde in de transitie en derhalve herhaaldelijk met de dood werd bedreigd, stelde vorig jaar al bitter vast dat de publieke moraal er onder Gonzalez nog slechter aan toe is dan onder Franco. De nestor van de Spaanse filosofen, José Luis Aranguren, meent dat de huidige regering een “morele depressie” over het hele land heeft afgeroepen en er is zelfs een nieuw dagblad, El Mundo, dat zijn opvallende succes vrijwel geheel te danken heeft aan zijn dagelijkse, en niet altijd van demagogie gespeende, aanvallen op de onoprechtheid van het kabinet.

Het mèt Gonzalez grootgeworden dagblad El Pais, in het buitenland vaak gezien als een symbool voor de kwaliteit van het democratische establishment in Spanje, haalde deze week zijn eerste hoofdredacteur van stal om een jubilieuminterview met de premier te maken. Juan Luis Cebrian, tegenwoordig zakenman, tekende de monoloog op van een eenzame leider die zichzelf met zijn vijftig jaar al als een oude man ziet en klaagt dat men hem zo vaak verkeerd begrijpt. Dat was opvallend, maar opvallender was het dat Cebrian zelf zich geroepen voelde op de dag van publikatie ook een artikel met zijn eigen mening te laten afdrukken, op de opiniepagina van El Pais. Daarin stelt hij onomwonden vast dat de Spanjaarden wel rijker maar niet gelukkiger zijn geworden van tien jaar Gonzalez. De macht is in andere handen overgegaan, maar niet van karakter veranderd en de maatschappij is er moreel niet sterker op geworden. Het gevoel van frustratie en bedrog is naar zijn mening zelfs zo sterk, dat het de vraag is of de socialisten nog genoeg geloofwaardigheid bezitten om na de volgende verkiezingen door te regeren.

Toch is dat wat Gonzalez wil en daartoe vroeg hij afgelopen zondag in Madrid aan een stadion vol partijgenoten, en over hun hoofden heen aan heel Spanje, om een nieuw mandaat. Niet voor de volgende vier, maar voor de volgende tien of vijftien jaar. Want zijn “historische project” wordt in generaties gemeten, niet in parlementaire termijnen. Het stadion zat vol met per bus aangevoerde getrouwen, veel oude mensen, veel plattelandsbewoners met rode vlaggen. En ten overstaan van juist dat gehoor maakte Gonzalez duidelijk dat hij niet voor de traditie kiest, maar voor de “vernieuwers” binnen de PSOE. Voor de invloedrijke minderheid dus, die wordt aangevoerd door mensen als vice-premier Narcis Serra, die onlangs nog uitlegde dat hij af wil van de laatste resten klassestrijd en de partij aantrekkelijk wil maken voor “alle mensen”.

Van die vernieuwers mag misschien iets meer openheid worden verwacht in de voorbereidende fasen van de besluitvorming, maar zeker niet meer bezieling. Zij zijn immers bij uitstek de mensen die betrokken zijn bij de volledige integratie in Europa die Gonzalez tot het enige uitgangspunt heeft gemaakt van zijn beleid voor de komende jaren. Aansluiting bij Europa was tien jaar geleden een ideaal van de oppositie - en op cultureel, politiek, militair en zelfs maatschappelijk gebied is dat ideaal zo goed als verwezenlijkt, terwijl de economie intussen geprofiteerd heeft van het vertrouwen dat buitenlandse investeerders daardoor hebben gekregen in de stabiliteit van het Spaanse bestel.

Maar het Europa waarover Gonzalez het nu heeft is het Europa van de economische en monetaire unie, die Spanje koste wat het koste moet binnenstappen tegelijk met de rijkste landen van de gemeenschap. Die inspanning is geen middel meer, maar heeft hij tot doel verheven. In zijn jubileumrede kon hij dan ook alleen maar sporttermen vinden om zijn voornemen te verduidelijken. "Maastricht' is een wedstrijd en Spanje moet zich de zwaarste opofferingen getroosten om naar de prijzen mee te kunnen dingen, net als Indurrain voor de Tour. Het gedisciplineerde gehoor van afgelopen zondag juichte braaf voor de eerste minister. Maar om het vertrouwen van de kiezers te herstellen die hem in het voorbije decennium hebben verlaten, is meer nodig dan een betoog over records en tussentijden. Zij willen moraal in de koers en uitzicht op het landschap dat achter de eindstreep ligt.

    • Hans Maarten van den Brink