Schilderijen van Otto B. de Kat in het Frans Halsmuseum; "Mijn palet is Hollands gebleven'

Otto de Kat, schilderijen, Frans Halsmuseum, Haarlem. T/m 15 nov. Ma-za 11-17 uur, zo 13-17 uur.

LAREN, 28 OKT. “Ik heb altijd geprobeerd mijn leven zo in te richten dat ik de beste condities schiep om te kunnen schilderen. Het is ook de reden dat ik het land veel ontvlucht ben. Dan voel je de critici en collega's niet over je schouder meekijken. Dat klinkt misschien egocentrisch, maar het heeft mij bevrijd.”

Otto B. de Kat, van 1955 tot 1972 hoogleraar aan de Rijksacademie in Amsterdam, is nu 85 jaar oud. Hij schildert nog steeds. Schilderijen uit verschillende perioden van zijn leven zijn op dit moment te zien in het Frans Halsmuseum in Haarlem, de stad waar hij lang heeft gewoond. Aanleiding tot deze tentoonstelling was niet alleen De Kats 85ste verjaardag, maar ook een schenking van tien schilderijen aan het museum. “Omdat we kleiner zijn gaan wonen wil ik een aantal grote schilderijen van de hand doen. Ik heb geen kinderen, dus geef ik ze aan musea”, zegt hij.

De Kat heeft zijn werk altijd goed verkocht. Het meeste is in handen van particulieren, maar ook in musea als het Rijksmuseum, museum Boymans-van Beuningen, het Henriëtte Polakmuseum, het Frans Halsmuseum. De Kat: “Ik heb er wel altijd iets bij moeten doen om geld te verdienen. Ik heb zeven jaar kunstkritieken geschreven. In de oorlog, toen ik niet mocht exposeren, heb ik veel portretopdrachten gedaan. Met die baan aan de rijksacademie was ik definitief uit de financiële zorgen.”

Otto de Kat werd in 1907 in Dordrecht geboren, maar groeide op in Haarlem. Hij volgde er oorspronkelijk een opleiding tot bouwkundig tekenaar. In 1927 ging hij naar de Rijksacademie in Amsterdam, maar hield het daar na een jaar voor gezien. Hij vertrok naar Parijs om te schilderen. “Ik was erg gesteld op de Franse kunst. Vooral Vuillard en Bonnard hebben me indertijd en nu ook nog veel gedaan, omdat ze ver staan van alle bewegingen. Ze hebben een grote vrijheid.” Ook De Kat ging altijd zijn eigen weg zonder zich te laten benvloeden door nieuwe stromingen in de schilderkunst. “Alleen is onder invloed van Bonnard en Vuillard mijn palet wat lichter geworden en ben ik overgegaan tot het schilderen van grotere vlakken.”

De Kat woonde vier jaar in België, werkte in Frankrijk, Italië en Denemarken, maar keerde telkens terug in Haarlem en omgeving. Hij is altijd actief geweest in het kunstenaarsleven, eerst in Haarlem, daarna in Amsterdam. Zo hoorde hij tot de oprichters van de roemruchte Haarlemse kunstenaarssociëteit Teisterbant, waarin de schrijver Godfried Bomans een grote rol speelde. In de jaren zestig vestigde hij zich in Amsterdam en vond een tweede huis in de Auvergne, dat hij achttien jaar heeft gehad. Vooral na zijn pensionering heeft hij daar veel geschilderd en op de tentoonstelling zijn ook enkele landschappen uit die tijd te zien. “Maar mijn werk is niet veranderd door mijn verblijf in het buitenland, ik ben nooit door mijn omgeving benvloed.”

Kort geleden is hij verhuisd naar een vrijstaande atelierwoning in Laren. Maar het uitzicht op de hoge bomen die het huis omringen, hoe mooi van kleur ook zo vroeg in de herfst, bevalt hem maar matig. “Ik ben toch een Hollandse jongen, ik moet lucht zien en een horizon, mijn palet is Hollands. Ik merk nu dat ik erg aan het wijdse Noordhollandse landschap gehecht ben.”

De Kats oeuvre bestaat uit schilderijen, tekeningen, aquarellen en prenten. Hij werkt overwegend figuratief, maar brengt bepaalde abstracte elementen aan. De onderwerpen zijn herkenbaar, maar niet gedetailleerd weergegeven. De Kat laat een tekening zien waarop zijn eerste vrouw, de dichteres Hans van Zijl, in een trapopening staat. Alleen de contouren zijn zichtbaar, het gezicht is niet ingevuld. “Maar zij is het helemaal”, zegt hij.

Hoewel hij in Parijs onder de indruk kwam van de impressionisten, is zijn werk niet impressionistisch, maar het resultaat van een lang ontstaansproces. De Kat schildert voornamelijk zijn directe omgeving: zijn vrouw, de dingen in zijn huis, het landschap om hem heen, of de stad waarop hij uitkijkt. Zijn werk straalt vooral evenwicht en rust uit. De kunsthistoricus prof.dr. Hans Jaffé noemde hem "een intimist', een schilder van het beschouwelijke, kalme en geborgen leven.

Vlak na de Tweede Wereldoorlog richtte Kat samen met de Haarlemse schilder Kees Verwey de Hollandse Aquarellisten Kring op, die nog steeds bestaat. “We zagen wel dat daar iets gevaarlijks in zat, want aquarelleren is iets waar alle amateurs zich op werpen. Daarom wilden we alleen een beperkt aantal goede kunstenaars als lid, die overeenkwamen wat stijl en visie betreft. Ik ben er lang secretaris van geweest. Ook Jan Wiegers en Joop Sjollema zaten in het bestuur. Voor onze tentoonstellingen nodigden we buitenlandse kunstenaars uit. We hebben zelfs eens een Turner gehad.”

Verwey, vertelt hij, hield het na twee jaar voor gezien, nadat hij met sommige mensen ruzie had gekregen. Ook aan de vriendschap tussen De Kat en de zeven jaar oudere Verwey - ze waren sinds de jaren dertig bevriend - kwam een eind. “Het is gek, van al mijn vroegere vrienden is Verwey de enige die nog leeft en dat is eigenlijk een vijand. We hadden veel gemeen, ook ons werk leek op elkaar. Ik weet niet eens óf we wel ruzie hebben, hij heeft altijd met iedereen ruzie. Het is een spelletje van hem, maar ik wilde daar op een gegeven moment niet langer aan meedoen.”

De belangstelling voor de figuratieve schilders raakte enigszins op de achtergrond met de oprichting van Cobra in 1948, die een nieuw tijdperk inluidde in de moderne kunst. “Wij werden beschouwd als de vergeten generatie toen Cobra begon. Dat was wel begrijpelijk, Cobra was een bevrijdend, schokkend verschijnsel in de beeldende kunst en is nog steeds belangrijk. In het Stedelijk Museum verschenen grote werken van Appel, Constant en Corneille. Maar er waren ook andere schilders als Pyke Koch, Dick Ket, Kees Verwey en ik die niet in die nieuwe stroming meegingen. Wij waren er niet tegen, maar werden min of meer weggevaagd. Wij vormden niet echt een groep, we hadden geen programma, geen naam en geen geloofsbelijdenis. In de musea was geen plaats meer voor ons. Dat is typisch Nederlands. Zodra er een nieuwe beweging opkomt, wordt de vorige in de kelder weggezet. Henriëtte Polak is toen op het idee gekomen een collectie samen te stellen van figuratieve schilders. Daarvoor werd een commissie ingesteld waar ik ook in zat. Die collectie is later ondergebracht in het Henriëtte Polakmuseum in Zutphen.”

Voor de hedendaagse moderne kunst heeft de Kat weinig goede woorden over. “Ik vind er niets aan. Vroeger kwam ik dagelijks in het Stedelijk Museum, maar nu vind ik dat ik er niets meer te zoeken heb. Ik was ooit in het Haags Gemeentemuseum, daar hingen in een zaal alleen een paar stukjes papier bovenin. Het is onmenselijk om daarvoor een suppoost in zo'n zaal rond te laten lopen. Ik vind dat er ook excessieve dingen gebeuren, zoals dat overdreven naturalisme, al dat werken met fotografie. Bij Pyke Koch is dat bijna fotografische schilderen echt, maar wat ik tegenwoordig zie heeft geen achtergrond. Het is te cerebraal, te bedacht. Voor ons moest het groeien, evolueren. Tegenwoordig heb ik het gevoel dat ze elkaar maar uit armoede navolgen.”

Op de tentoonstelling in Haarlem is bij wijze van catalogus de monografie Otto B. de Kat van Hans Redeker te koop. Daarin zegt De Kat over het maken van een schilderij: “Het is zoiets als een open houtvuur zorgvuldig opbouwen, de dunne twijgjes onderaan en dan de grotere en de blokken goed gestapeld zodat de lucht er doorheen kan spelen. En dan het vuur er onderin. We zitten om de haard en verwarmen ons”.

    • Gerda Telgenhof