Robot

1 Ooit was elke oorlog een ramp. Ooit was elke politicus een meneer. Punt uit. Langzamerhand is de blik waarmee het publiek naar het wereldgebeuren en de politiek kijkt veranderd.

Zó grondig veranderd dat elke definitie van die manier van kijken al op een gemeenplaats lijkt. Op een reeks waarheden als een koe.

Wat zijn die gemeenplaatsen?

Dat oorlog pas als ramp bestaat als hij in prime time op de televisie mag. Dat persoonlijke populariteit - de hitsige drang om niet te ver uit de buurt van televisie-camera's te verdwalen - voor een politicus op de eerste plaats komt, waarna een hele tijd niets, waarna weer een hele tijd niets, waarna eventueel een kwartiertje landsbelang. Dat de gesponsorde reisticket van de cameraman bepaalt welk bloedvergieten aanspraak maakt op onze krokodilletranen en andermans gironummers. Dat de kijkcijfers politici omhoogstuwen die bekwaam zijn in het nabootsen van menselijkheid, ook al zijn ze in de praktijk opwindpoppen van blik, plastic en nylon, androïden.

We hebben dit uit de mond van veel cultuurfilosofen en andere koffiedikkijkers kunnen horen, wereldwijd. Speciaal voor Nederland kwamen er nog wat kenmerken bij. Dat iedere politieke discussie er doordesemd is van een gezelligheid die aan het kneuterige grenst. Dat gesanctioneerde slachtingen of rampen er onvermijdelijk tot het spektakel leiden van een laaiend, maar vooral kortstondig saamhorigheidsgevoel.

We hebben dit zó vaak uit de mond van sociale duiders en wichelaars kunnen horen dat we soms geneigd zijn uit te roepen: Nou, nou, is het wel zo erg?

2 Ik citeer staatssecretaris Aad Kosto van Justitie, uit een artikel van Max van Weezel in Vrij Nederland van 3 oktober 1992: “Het was zaterdag 8 augustus. Anneke, mijn vrouw, en ik waren met vakantie in Zuid-Limburg. Het NOS-journaal vertoonde beelden van het Bosnische weeskind dat het uitschreeuwde toen de bus waarin ze zat door Servische sluipschutters werd beschoten. Toen dacht ik: nu moet ik Wim Kok bellen. Ik weet nog precies wanneer ik met hem heb getelefoneerd: tussen het hoofdgerecht en het dessert. Ik zei: Wim, we moeten meer doen dan we tot nu toe hebben gedaan. We moeten de Joegoslavische vluchtelingen desnoods zelf gaan halen.”

3 Zo erg is het dus. Hoe vertrouwd ik ook ben met alle open deuren die ik opsomde, hoe ik ook ben gepokt en gemazeld door een maatschappij waarin imago meer zegt dan wezen, en hype meer dan verdienste, toch is dit het schokkendste bericht dat ik in 1992 heb gelezen. Want hier komen al die ellendige vanzelfsprekendheden van een robotmaatschappij in één man bijeen.

Op vakantie en al kauwend - hoe menselijk - bekijkt de heer Kosto een voor hem geselecteerde oorlog. Eén kind schreeuwt het in close-up zo uit dat hij een omslag ziet aankomen in de publieke opinie. Hij laat zijn eten staan, niet omdat hij zich door de aanblik van zoveel leed plotseling misselijk voelt, maar omdat hij een gat in de markt ruikt. Een gat in de markt van zijn populariteit als politicus. Hij belt met de baas. Hij vraagt de baas of hij in het gat mag springen. En wel vóór er nog eens twaalf andere kinderen beginnen te krijsen zodat de publieke opinie weer lauwer wordt. Ook de Hollandse kneuterigheid ontbreekt bij Kosto niet. Wat gaan zijn Anneke en zijn dessert in Zuid-Limburg mij aan? Voor mijn part - er gilt tenslotte een kind - leeft hij samen met een koe en slurpt hij oesters in Cambodja. Tenslotte vergeet de snel rekenende Kosto niet in te haken - letterlijk staande de maaltijd - op het zo lucratieve Open-het-Dorp-gevoel: “We moeten ze desnoods zelf gaan halen.” (Kon het maar telefonisch, hoor je hem denken.)

Zoveel snelle calculaties en zo'n kille manipulatie van alle hedendaagse cynismen, zonder er één te vergeten, duiden er onontkoombaar op dat de heer Kosto louter toevallig in het bezit is van twee benen, twee armen, een neus en wat er verder bij een echt mens komt kijken.

    • Gerrit Komrij