Oud-inspecteur J. Roeper over twintig jaar schoolbezoek; "De moeders, onderschat de moeders niet!'

Onderwijsinspecteurs zien er nog steeds op toe dat scholen de wet naleven, maar het onverwachte controlebezoek heeft plaatsgemaakt voor een afspraak, het borreltje met de directeur is vervangen door een teamvergadering. Gesprek met een kritische oudgediende.

"Kan onze school vanmiddag ijsvrij krijgen?', was een van de eerste vragen die mr. Jacques Roeper (nu 56) als beginnend inspecteur van het lager onderwijs kreeg voorgelegd. De jonge inspecteur antwoordde dat het lesgeven vóór diende te gaan - schaatsen kon wel op zondag. Jammer genoeg had hij over het hoofd gezien - "de collega's kunnen er nog om lachen' - dat de school protestants-christelijk was. Op zondag was schaatsen uit den boze.

De inspectie van het onderwijs heeft een traditie hoog te houden, dat had de jonge Roeper wel goed door. Het is een van de oudste instituten tussen ministerie en scholen, ouder dan de onderwijsvakbonden, de besturenorganisaties of de verzorgingsinstellingen. De eerste 35 schoolopzieners werden al in 1801 aangesteld, tegelijk met het in werking treden van de allereerste onderwijswet. Voor het grootste deel waren deze schoolopzieners predikanten.

De taken van de inspectie zijn nog steeds dezelfde, al zijn ze door de komst van het Cito, de pedagogische centra en steeds meer onderzoekscentra uitgehold. Nog steeds zien inspecteurs toe op naleving van de wet, houden ze de minister op de hoogte van de toestand in het onderwijs, doen ze voorstellen ter verbetering en helpen ze scholen bij het vormgeven van hun lessen. Er zijn nu 243 inspecteurs, onder wie vijf "vertrouwensinspecteurs' voor ongewenste intimiteiten.

Het afgelopen decennium heeft in de gelederen van de inspectie echter een kleine revolutie plaatsgehad. Terwijl inspecteur Roeper in 1973 nog onverwachts op de stoep van een school kon staan, wordt het bezoek van een onderwijsinspecteur tegenwoordig enkele weken tevoren aangekondigd. De aktetas met niet veel meer dan een blocnote om wat aantekeningen te maken, heeft plaatsgemaakt voor een koffer vol enquêteformulieren. "De grote bureaucratisering', noemt Roeper de veranderingen.

Nu het onderwijs autonomer wordt, wil de overheid meer controle achteraf - evaluatie - van wat op scholen gebeurt. In plaats van te kijken naar de gang van zaken op een willekeurige schooldag, neemt de inspecteur daarom tegenwoordig per bezoek één vak onder de loep. Het borreltje met de directeur is vervangen door een teamvergadering en een officieel rapport en het aantal thematische onderzoeken van de inspectie, waaronder recent nog dat van het muziekonderwijs, neemt gestaag toe.

Oudgediende Roeper - na negentien jaar "veldwerk' in april vervroegd uitgetreden - heeft de professionalisering "net op tijd kunnen ontvluchten'. Maar hij heeft de inspectie nog wel zien veranderen: inspecteurs-nieuwe-stijl krijgen cursus op cursus, produceren bergen papier en in plaats van bereikbaar te zijn op een bureautje in hun "ambtsgebied', zitten ze nu in veertien grote, regionale inspectiekantoren. Systematische beleidsvorming, planning en coördinatie zijn de toverwoorden die het beeld van de wijze, maar eigenzinnige onderwijsinspecteur moeten doen vergeten.

Professionalisering heeft toch ook voordelen?

"Ik zie ze niet. Een inspecteur moet nu een maand tevoren in een brief aan het schoolbestuur aankondigen of hij op dinsdag of op donderdag komt, want dat zijn de vaste dagen voor schoolbezoek geworden. Hij moet ook aankondigen welk onderwijs hij op die dag wil volgen. Als dat bijvoorbeeld rekenen is, wordt op zo'n dag door de hele school gerekend. De hele dag! Zo krijg je toch een totaal vertekende indruk van een school? Bovendien, een onderwijzer die heel goed is in geschiedenis, moet verplicht rekenonderwijs geven, terwijl dat misschien niet z'n sterkste kant is. Ik vind het een grote verstarring. En ik vind het ook geen verbetering dat de inspecteur nu na afloop van zijn bezoek een schriftelijk verslag moet maken.'

Wat is daar op tegen?

"Iedereen kan nu meegenieten. Vroeger nam je na afloop van je bezoek met de directeur de dag door, of je sprak even onder vier ogen met de onderwijzer bij wie het niet zo lekker ging. Soms bleek dan dat zo iemand gewoon z'n dag niet had gehad. Ik zei ook altijd tegen die mensen: het is niet meer dan een momentopname, misschien heb ik me vergist.

"Maar nu staat alles op papier. Misschien ben ik te achterdochtig, maar ik denk dat er misbruik van zo'n verslag kan worden gemaakt. Als een schoolbestuur van iemand afwil, kan een inspectieverslag wel eens helpen. En wat gebeurt er in de praktijk? De inspecteur laat in zijn verslag dingen weg die hij in een gesprek onder vier ogen wel naar voren zou hebben gebracht. Het wordt dus ook nog eens een fake-verslag. Vergeet ook niet dat de directeur van een school in een vrij geïsoleerde positie zit. Hij kan niet aan iedereen alles vertellen, hoe goed de verhoudingen binnen een school ook zijn. Voor zo'n man is het prettig als er iemand komt bij wie hij zijn ziel eens op tafel kan leggen. Dat is nu veel moeilijker geworden.'

Hoe verklaart u deze veranderingen bij de inspectie?

"Volgens mij is het een kwestie van efficiency. De hoofdinspecteur weet nu precies waar zijn inspecteurs zitten en wat ze doen. Vanuit de leiding geredeneerd is dat goed bekeken.

"Ach, alles went natuurlijk. De jonge inspecteurs weten niet beter. Ze komen rechtstreeks van de universiteit en volgen een jaar lang trainingen, vooral in management. Ik kan niet beoordelen of dat een vooruitgang is, maar ik weet wel dat ze na een jaar heel blij zijn dat ze eindelijk de school in mogen. Op den duur word je niet goed van al dat gepraat over management. En wat het extra papierwerk betreft: tegenwoordig moet er veel meer dan vroeger worden vastgelegd. Schoolwerkplannen, jaarverslagen, onze rapportages... Ik vraag me wel eens af wie dat nou met rooie oortjes gaat zitten lezen.

"Ikzelf kon er net op tijd uit stappen, al heb ik nog wel een tweedaagse cursus verslagleggen moeten volgen. Indeling, hoofdje, subalinea - dat soort dingen. De paar verslagen die ik heb gemaakt waren trouwens nooit langer dan één A-viertje. Anderen hadden wel tien kantjes nodig.'

Maar u werd in 1973 wel erg in het diepe gegooid, meer dan de inspecteurs van nu.

"Och, dat weet ik niet. Vroeger begon je als jong inspecteur in een grote stad. Daar zaten altijd vier collega's. De oudste legde je uit hoe het ging en nam je mee op schoolbezoek, zodat je kon zien hoe hij het deed. Je leerde dan dat als er conflicten waren, je die creatief moest zien op te lossen. Want handboeken waren er nog niet. Niks te handboeken.

"Zelf ben ik begonnen in de regio Den Haag, met scholen in de Schilderswijk maar ook in Wassenaar. Dan dacht ik wel eens: welke directeur zou het nou het moeilijkst hebben? In de binnenstad van Den Haag hebben ouders het hart op de tong, die komen met opgestroopte mouwen hun recht halen. Maar in Wassenaar gebeurt het verfijnd. Daar kunnen ouders het schoolhoofd op een pijnbankje leggen, bijvoorbeeld als ze willen weten waarom Jantje niet naar het goddelijke VWO kan.'

Waar gingen de conflicten meestal over?

"Eigenlijk alleen maar over mensen. Collega's die het niet met elkaar konden vinden of onderwijzers die niet goed functioneerden. Vaak belde een schoolbestuur dat er zelf niet meer uitkwam mij op om te vragen of ik langs wilde komen. Het is ook een probleem. Ik zei altijd: het is gemakkelijker om met een kurketrekker een heipaal uit de grond te halen dan een vast aangestelde onderwijzer voor de klas weg te krijgen. Dan brak er een tomeloze paniek uit. Maar tot op heden is er niets aan die situatie veranderd. Iemand ongeschikt verklaren voor het lesgeven anders dan door ziels- of lichaamsgebrek is vrijwel onmogelijk. Bij mijn weten is zo'n procedure nog nooit gewonnen. In de regel wordt de medische weg gevolgd, want een bestuur kan een onderwijzer wel verplichten zich onder medische behandeling te stellen. Maar dan zijn we aan het einde van de rit. Dat is de somberheid ten top.

"Een probleem is dat je tegenwoordig als onderwijzer geen kant meer op kunt. Door de bezuinigingen zitten alle scholen dicht. Dus als je niet met je collega's op kunt schieten en conflicten komen naar buiten, dan moet er een speciale commissie van de onderwijsbegeleidingsdienst komen om de school door te lichten. 's Middags moet iedereen bij die vreselijke vergaderingen aanzitten, want alles moet naar boven komen. Het resultaat is dat na een jaar - want zolang duurt die conflictoplosserij meestal wel - alle onderwijzers volstrekt uitgeput zijn van die séances.'

Heeft u wel eens klachten gehad over onderwijzers die kinderen sloegen?

"Natuurlijk. Moeders bellen daarover op. Maar het is mij gebleken dat het heel moeilijk is om dat op papier te krijgen. Als inspecteur ben je verplicht te vragen of die moeders het willen opschrijven. Dat willen ze meestal niet, omdat er nog een ander kind bij die onderwijzer in de klas moet. En je bent er zelf niet bij. Ik denk dat geen enkele inspecteur het ooit heeft geconstateerd. Dat lijkt me tenminste hoogst onwaarschijnlijk. Ik vind het soms trouwens wel begrijpelijk. Kinderen kunnen ontzettend vervelend zijn en echt zuigen.'

Roeper komt niet uit het onderwijs. Na zijn rechtenstudie werkte hij een tijdje bij een verzekeringsmaatschappij. In 1968 schreef hij op een advertentie waarin de inspecteur-generaal een jurist met belangstelling voor het onderwijs zocht. Hij stapte over op het moment dat de Mammoetwet werd ingevoerd. Nieuwe schooltypen werden geboren, nieuwe eindexamenbesluiten ontworpen. Na vijf jaar wilde hij het veld in, inspecteur worden.

Wat viel u op toen u begon als inspecteur?

"Ik keek op van de enorme afstand tussen de beleidsmakers en het veld. Toen ik begon werden mensen ook al gek van de stapels circulaires. Het veld voelt zich altijd overvallen door een reeks van maatregelen. De scholen begrepen natuurlijk wel dat ik er niets aan kon doen, maar het is voor betrokkenen prettig wanneer ze eens hun hart kunnen luchten.

"Kijk, zo'n ministerie van onderwijs is een organisatie waar mensen weliswaar niet met oogkleppen op zitten te werken, maar waar de vraag "wat vindt het veld ervan' niet direkt op ieders lippen ligt. Er is een afdeling "vernieuwing' en daar zitten beleidsambtenaren plannen te maken en ideeën te ontwikkelen.

"Ik geloof niet dat het ministerie op hol is geslagen, wat je tegenwoordig wel hoort. Nieuwe plannen maken is inherent aan het onderwijs. De inspecteur houdt die dynamiek ook niet tegen. Hij kan niet zeggen: stop die blauwdruk nog even weg, want ze zijn in het veld nog volop bezig met de vorige. En directeuren van basisscholen kunnen wel verzuchten dat ze rust willen, maar als de collega van de school om de hoek vlijtig bezig is de vernieuwing al in te voeren, kunnen zij niet achterblijven. Want dan moet je de ouders eens horen.'

De ouders?

"Vooral de moeders, onderschat de moeders niet. Die komen 's middags langs, aan het einde van een vermoeiende schooldag, en dan zeggen ze: "We hebben in de kerstvakantie een nichtje te logeren gehad uit Lelystad en daar doen ze toch zulke leuke dingen'. "O ja?', vraagt zo'n onderwijzer dan, "o ja?'. "Ja, want daar zijn ze met z'n allen naar de bollenkwekerij geweest en dat vonden de kinderen gewèldig'. Dat kan zo'n onderwijzer dan net niet hebben. Hij is blij dat het half vier is en dan komt een moeder hem vertellen dat het in Lelystad zo enig is allemaal. Met de impliciete boodschap dat hij ook eens iets leuks zou moeten verzinnen.

"Bij de kleuters is het nog dodelijker. Dat is werken voor je leven. Maak je voor de herfstvakantie met veertig kleutertjes een herfstbakje - blaadjes gezocht in het bos, iedereen een paar eikeltjes en wat kastanjes. Vreselijk werk, want het moet wel op één dag allemaal klaar zijn. Dan is het gelukt en gaan veertig kleutertjes trots met hun bakje naar huis. Komt er na een tijdje geheid een moeder die zegt: "We hebben een nichtje te logeren gehad uit Zierikzee en die had toch zoiets leuks gemaakt - ze kwam met vlinders thuis!'. Probeer dan maar eens rustig te blijven als kleuterleidster. Heb je de herfstbakjes klaar, moeten het vlinders wezen!

"Ik wil niet zeggen dat het bewust gebeurt, maar het gebeurt wel. Daarom zeg ik, onderschat de moeders niet. Het is voor onderwijzers niet altijd gemakkelijk. Ze voelen steeds de hete adem: op die andere school is het leuker. Dus moeten ze steeds zorgen dat het levendig blijft. En de kinderen zijn ook vrijmoediger geworden. Ze weten veel meer. Dat maakt het werken er ook niet gemakkelijker op.'

Wat vond u ervan toen in 1985 de Wet op het Basisonderwijs werd ingevoerd?

"Daar heb ik de noodzaak nooit van ingezien. Het was een politieke beslissing, maar ik heb nooit het gevoel gehad dat er iets mis was met de aansluiting tussen de kleuterschool en de lagere school. Je wist dat het heel anders was. Kleuters speelden meer en in de eerste klas van de lagere school was het uit met de pret. Dan moesten ze leren lezen, rechtop zitten en netjes praten. En als ze voor Kerstmis niet konden lezen, was dat niet zo mooi.

"Ik heb ook niets anders uit het veld gehoord dan: "Waarom moet dit eigenlijk, waarom moeten wij fuseren?' De problemen verschilden per school. Als de hoofdleidster van een kleuterschool het goed kon vinden met de directeur van de lagere school was er niet veel aan de hand. Maar o wee als ze niet met elkaar overweg konden. Als altijd draaide het om de personen.'

Heeft u zich als inspecteur ooit hopeloos gevoeld?

"Ja. Als ik in een klas zat met een saaie onderwijzer voor het bord. Iemand die het verder heel goed deed, op wiens lessen niets viel aan te merken maar die dodelijk saai was. Dat is het ergste wat je als leerling kan overkomen, een saaie onderwijzer. Gelukkig kwam het niet vaak voor, maar telkens als ik het meemaakte had ik kromme tenen. Kijk, ik kom maar even, maar die kinderen hebben zo'n man een hele week. Je hoort ook wat er twee lessen later in het gymnastieklokaal gebeurt: dat wordt compleet afgebroken. Dat kon ik dan heel goed begrijpen.'