Kaart werd een prestigekwestie voor ministerie

DEN HAAG, 28 OKT. De leider van de werkgroep gemeentelijk identiteitsbewijs van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, directeur dr. G.J. Fleers, verkeerde begin juli dit jaar nog in een overwinningsroes.

Het verslag van het bestuurlijk overleg tussen de VNG en de ministeries van binnenlandse zaken en justitie op 9 juli meldt: “De VNG toont de eerste exemplaren van de kaart en laat met hulpmiddelen enkele kenmerken zien. De heer Fleers feliciteert de heer Meijer van Meijbeek (VNG-projectleider mr. F.A.C. Meijer van Meijbeek, red.) met deze mijlpaal en overhandigt hem bloemen.”

De vertegenwoordigers van het departement van binnenlandse zaken moeten dit triomfantelijk opgevoerde toneelstukje met gemengde gevoelens hebben gadegeslagen. Een VNG-medewerker verklaart nu: “Bij Binnenlandse Zaken baalden ze als een stekker. Ze hadden die kaart zelf willen maken. Het was een prestige-kwestie geworden”.

Binnenlandse Zaken was in mei door het kabinet gedwongen tot samenwerking met de VNG bij de produktie van het nieuwe identiteitsbewijs annex Europese reiskaart. De VNG-kaart zou die functie moeten krijgen. De reden hiervan was dat het kabinet toen al wilde voorkomen dat er “nodeloze verwarring” bij de burger zou ontstaan doordat er naast elkaar een gemeentelijke kaart en een rijksidentiteitskaart zouden komen, met verschillende gebruiksmogelijkheden.

Het advies van de Landsadvocaat dat op 7 juli door Binnenlandse Zaken werd ingewonnen, moet voor dat departement als een geschenk uit de hemel zijn gekomen. Bij de aanbesteding van de VNG-kaart was geen rekening gehouden met de veel ruimere gebruiksmogelijkheden, en dus grotere oplagen, dat het VNG-pasje zou krijgen als nationaal identiteitsbewijs annex Europese reiskaart. Schadeclaims van drukkerijen die zich hierdoor benadeeld konden voelen hingen in de lucht.

Uit het verslag van het bestuurlijk overleg op 9 juli blijkt dat de VNG-vertegenwoordigers zich van dit dreigend onheil in het geheel niet bewust waren. Het punt komt slechts kort aan de orde, de VNG neemt zich voor het advies eens te bestuderen. Directeur Fleers dringt er bij staatssecretaris De Graaff-Nauta op aan nu al vast het groene licht te geven voor zijn kaart. “De formele goedkeuring kan dan tezijnertijd bij wijze van spreken in tien minuten worden afgehandeld.”

Pag.2: "Een moesjawara van commissies en overleg'

Ondanks besluitvorming in het kabinet in mei dit jaar om de VNG-kaart aan te wijzen als nationaal identiteitsbewijs, was Binnenlandse Zaken gewoon doorgegaan met de voorbereidingen voor de produktie van een eigen, rijksidentiteitsbewijs. Binnenlandse Zaken ontkent dat het VNG-project werd tegengewerkt. Voor zover dat wel het geval was, trommelde de directeur-generaal openbaar bestuur, mr. G.J. Jansen, de hoogste ambtelijke baas van het Project Reisdocumenten op het departement, zijn mensen in juni bij elkaar om ze nog eens in te scherpen dat hij geen bureaucratische guerilla tegen de VNG duldde.

Toen de gesprekspartners in het bestuurlijk overleg elkaar op weer troffen op 11 september was de positie van de VNG drastisch veranderd. Binnenlandse Zaken, dat voorheen een plaatsje had in de bijwagen van het VNG-project, eiste nu alle verantwoordelijkheid voor de produktie van de kaart op. De Graaff-Nauta merkt met zoveel woorden op “dat het zeker geen kwestie is van het de VNG afnemen van de kaart”. Maar haar departement zal de nieuwe aanbesteding doen, of de heren van de VNG nu hoog of laag springen.

Fleers betoogde dat een aanbesteding van het pasje door de VNG “het snelst, het best en het zakelijkst” lukt als alleen de VNG aanbesteedt. Bij een gecombineerde aanpak vreesde hij terecht te komen in een “moesjawara van commissies”. Ook ziet hij er geen brood in onderworpen te worden aan de “parlementaire verantwoordingsplicht”.

De meningen blijven op 11 september tegenover elkaar staan en het overleg wordt geschorst. Vijf dagen later zegt Fleers: “De VNG wil niet in een traject terecht komen van parlementaire controle en parlementaire enquête.” De Graaff-Nauta blijft echter vasthouden aan haar staatsrechtelijke verantwoordelijkheid, voortvloeiend uit de Paspoortwet, voor de produktie van het reisdocument.

Minister Hirsch Ballin (justitie), die inmiddels hoogst persoonlijk deelneemt aan het overleg, tracht op die zestiende september nog te redden wat te redden valt. Hij is gebaat bij een spoedige produktie van een identiteitskaart. Op zijn voorstel om met advies van buitenstaanders opnieuw te onderzoeken hoe Rijk en VNG “binnen de kaders van de wetgeving” kunnen samenwerken, vindt geen gehoor.

Twee dagen later, op 18 september, schrijft De Graaff-Nauta aan de Kamer dat de VNG-kaart definitief geen nationaal identiteitsbewijs annex Europese reiskaart wordt. Weer twee weken later, op 2 oktober, beslist het kabinet dat Binnenlandse Zaken het Project Reisdocumenten kan gaan aanbesteden. Daarmee is het bijna onontkoombaar geworden dat er toch twee identiteitskaarten zullen verschijnen, want de VNG gaat onverdroten door met het eigen project en met een nieuwe, ruimere aanbesteding van haar kaart.

Fleers schreef op 22 september een woedende "53 punten-brief' aan de Kamer. Daarin gaat hij in op de cruciale kwestie van de onjuiste aanbesteding door de VNG van haar eigen kaart. Hij betoogt dat Binnenlandse Zaken zelf een ruimere aanbesteding heeft tegengehouden in september 1991. Directeur-generaal Openbaar Bestuur Jansen noemt die stelling nu “onbegrijpelijk”. Een verzoek om ruimere aanbesteding heeft hem nooit bereikt.

Binnenlandse Zaken beschuldigt de VNG nu onverholen van een anti-democratische opstelling, verwijzend naar de opmerkingen van Fleers in het bestuurlijk overleg. VNG-medewerkers beschuldigen op hun beurt Binnenlandse Zaken van chaotische projectvoering, gebrek aan leiding en aan interne communicatie. En dat zijn zware aantijgingen in het licht van het debâcle met het vorige paspoortproject. Nadat een parlementaire enquêtecommissie in 1988 tot de conclusie was gekomen dat de verantwoordelijke bewindslieden onvoldoende leiding hadden gegeven aan het toenmalige paspoortproject, waren staatsecretaris Van der Linden en minister Van Eekelen gedwongen op te stappen.

Staatssecretaris De Graaff-Nauta verzekerde de Kamer vorige week dat haar departement grondig lering heeft getrokken van de paspoort-enquête. Alle valkuilen die toen gebleken zijn, waren volgens de staatssecretaris keurig op een rijtje gezet en er was grondig rekening mee gehouden.

Achteraf gezien heeft Binnenlandse Zaken misschien teveel achterom gekeken en te weinig naar de omstandigheden waaronder dit departement zelf een paspoort moet maken.

De enquêtecommissie kwam in 1988 tot de vaststelling dat “er in de loop van het paspoortproject vele onduidelijkheden waren ontstaan over de afbakening van taken en verantwoordelijkheden”. Kernpunt daarbij was dat “de politieke leiding van het Ministerie van Buitenlandse zaken onvoldoende sturing had gegeven”. Uit de wijze waarop de staatssecretaris op dit moment onverbiddelijk vasthoudt aan haar staatsrechtelijke verantwoordelijkheid voor het project en dus weigert in te gaan op de eis van de VNG om de vervaardiging van de identiteitskaart aan deze vereniging uit te besteden, blijkt dat zij de fout van haar voorganger Van der Linden niet wenst te herhalen.

    • Frank Vermeulen