Fantasierijke Eric en karikaturale Andorra

Jeugdtheater. Voorstelling: Andorra van Max Frisch door Teneeter. Regie: Andrea Fiege. Spel: Agnes Bergmeijer, Rob Beumer, Anita Donk, Rinus Knobel e.a.; decor: Marianne Burgers. Gezien: 19/10, Schouwburg Rotterdam. Nog te zien t/m december. ß8Voorstelling: Eric of het kleine insektenboek van Godfried Bomans door De Paardenkathedraal. Tekstbewerking: Tom Sijtsma. Regie: Henk van Ulsen. Spel: Peter Drost. Decor: Tom Schenk. Gezien: 11/10, Blauwe Zaal, Utrecht. Nog te zien: tot 6/4 1993.

Teneeter heeft een traditie in het bewerken van klassieken. Met Ifigeneia Koningskind en Oedipus, Royal Baby wist het gezelschap op ingenieuze wijze zware problematiek voor kinderen toegankelijk te maken. Met de bewerking van Andorra van Max Frisch is Teneeter daar niet in geslaagd. Men slaat de plank zelfs volledig mis.

Andorra speelt zich af op een niet bestaand eilandje dat model staat voor iedere plaats waar angst van een meerderheid leidt tot stigmatisering van een minderheid. In Andorra projecteren de bewoners hun angst voor de vastelanders op de jongen Andri, die voor jood wordt aangezien. Daarom wordt hij beschuldigd van moord; dat op het moment van zijn executie bekend wordt dat hij geen jood is, doet er dan niet meer toe.

In de regie-aanwijzigingen waarschuwt Frisch dat de personages geen karikaturen moeten zijn. We moeten in de verleiding komen ze sympathiek te vinden. En pas als het te laat is afstand van ze nemen, zoals dat volgens Frisch ook in de werkelijkheid gebeurt.

Maar Teneeter presenteert wel degelijk karikaturen, waarmee wij ons op geen enkele manier kunnen identificeren. Daardoor kijken we naar een nietszeggend verhaaltje van de goeden en de slechten en worden we niet gedwongen om bij onszelf te rade te gaan. Daarbij wordt er matig geacteerd en ontgaat de diepere betekenis van smartlapfragmenten mij volledig. Teneeter laat een kans liggen. Andorra van Max Frisch is een te actueel verhaal om zo gebruikt te worden.

Godfried Bomans schreef Eric of het kleine insektenboek in 1939 als een parodie op de Nederlandse maatschappij: “Moge het aan vele wandelaars door Nederlands dreven een gids en wegwijzer zijn bij de bestudering der ruim negen miljoen insekten, die ons vaderland telt”, schreef hij ten geleide bij de elfde druk. Een maatschappelijke wegwijzer hebben acteur Peter Drost en regisseur Henk van Ulsen echter niet willen maken van hun op het boek gebaseerde voorstelling. De Bomans' ironie is volgens hen te zwartgallig voor kinderen. Zij haalden de ondertoon uit de teksten en maakten er een avontuurlijke, fantasierijke voorstelling van waarin Drost met minimale middelen het verhaal vertelt en alle personages uitbeeldt.

Het decor bestaat uit een ijzeren bed, een keukentrap en een wit, dun doek dat als een spinneweb over het toneel is gespannen. Hiermee roept Drost steeds andere werelden op. Zittend op een keukentrap en met zijn hoofd door het doek vliegt hij op een vlinder door de lucht en liggend op de grond met het doek dreigend boven zich vecht hij tegen de spin die hem in haar web gevangen houdt. Een simpele stropdas, pandjes- en knopenjas verbeelden de insekten.

Peter Drost is een uitstekende verteller die op een komische en eenvoudige manier de insekten tot leven brengt. Twee krukken zijn de ogen van een slak. “Naar welk oog moet ik toch kijken”, vraagt Eric. “Neem het rechtse maar”, antwoordt de slak en hij verbergt een van zijn krukken onhandig achter zijn rug. Peter Drost en regisseur Henk van Ulsen bewijzen met Eric of het kleine insektenboek dat traditionele verhalen nog steeds boeien. Hij houdt een overtuigend pleidooi voor een theatervorm die we nog maar weinig te zien krijgen.