Controverse SEP en Gasunie over energiebeleid Nederland

ROTTERDAM, 28 OKT. Tussen de Samenwerkende Elektriciteits-produktiebedrijven (SEP) en de Gasunie is een controverse ontstaan over het Nederlandse energiebeleid. Dit blijkt uit twee artikelen in de jongste editie van het maandblad Energie en Milieuspectrum.

De discussie draait om de meest doelmatige manier van energie produceren, met zo min mogelijk vervuiling, en energiebesparing. Op de achtergrond speelt ook een strijd om de markt mee: wordt de warmte voor het waterbed, de wasdroger en het kooktoestel geleverd door elektriciteitscentrales, al of niet op kolen gestookt, of door aardgas?

De SEP constateert een snellere groei van het elektriciteitsverbruik dan enkele jaren geleden nog was voorzien, ondanks alle acties voor energiebesparing. Overigens is gebleken dat energiebesparing vaak gepaard gaat met een toeneming van het stroomverbruik. Een duidelijk voorbeeld is de overstap van automobilisten naar de trein: minder olieverbruik, maar de NS moeten meer treinen inzetten. Daarom zoekt de SEP nu naar een nieuwe vorm van besparing, in de vorm van "energiekwaliteit' ofwel Exergie.

Dat begrip houdt een optimaal gebruik van de verschillende energiedragers in, waarbij elektriciteitscentrales niet alleen stroom produceren, maar via warmte-kracht koppeling bijvoorbeeld ook een stadswijk (stadsverwarming) en een gebied met broeikassen verwarmen. De inzet van aardgas voor lage temperatuuropwekking, zoals in particuliere ketels voor centrale verwarming, is volgens de SEP veelal ondoelmatig. Een ideale vorm van exergie zou zijn het eerst gebruiken van de hoge temperatuur van de stroomcentrale voor de procesindustrie, om vervolgens hetzelfde circulatiewater door een fabriek te leiden die een lagere temperatuur nodig heeft. Daarna kan het water, dat dan een temperatuur van minder dan 100 graden celcius heeft, nog eens gebruikt worden voor ruimteverwarming.

Gasunie kritiseert de benadering van de SEP, omdat deze uitgaat van een "top-down'-beleid: van bovenaf, van overheidswege, wordt een optimale energiehuishouding dwingend voorgeschreven, met alle nadelen van dien. Daarbij wordt het huidige energieverbruik min of meer als een gegeven beschouwd en is er nauwelijks een stimulans voor besparing door de eindverbruiker.

Bij een "bottom-up'-benadering, zoals de Gasunie verdedigt, is de verbruiker zelf verantwoordelijk voor energiebesparing. Door de gecombineerde opwekking van elektriciteit met warmte-kracht, die de SEP als uitgangspunt neemt, is de totale besparing volgens de Gasunie 10 procent, terwijl haar meer flexibele aanpak leidt tot een besparing van 23 procent. Gasunie inventariseert in het kader van haar Milieuplan Industrie het energieverbruik van bestaande produktieprocessen en zoekt vervolgens per lokatie naar de beste technische mogelijkheden voor besparing en de voordeligste keuze van de bronnen: elektriciteit, aardgas, stoom en warmte-krachtkoppeling.

De grotere besparing verklaart Gasunie vooral uit de relatief hoge warmtevraag in Nederland in vergelijking met de elektriciteitsvraag. Zelfs wanneer alle elektriciteit door warmte-krachteenheden wordt geproduceerd, kan slechts een beperkt deel van de totale warmtevraag in Nederland door die centrales worden gedekt. De SEP zou zich meer moeten inspannen voor een doelmatiger gebruik van elektriciteit. Deze hoogwaardige energiedrager wordt volgens Gasunie ten onrechte steeds meer voor "lage temperatuurtoepassingen' gebruikt, zoals kooktoestellen, boilers, waterbedden, vaatwasmachines, wasmachines. Gebruik van aardgas zou hier een aanzienlijke besparing geven, en veel lagere emissies van schadelijke stoffen.

Gasunie vindt dat de SEP ook haar kolencentrales moet vervangen door veel efficiëntere, moderne gasgestookte centrales die een rendement van 55 tot 60 procent opleveren. Kolenstook levert zelfs bij toepassing van de moderne vergassingstechniek 10 tot 15 procent minder rendement op.