Akzo: Euro-OR stoelt op Dallassyndroom; Topman Loudon faliekant tegen Europese OR

ROTTERDAM, 28 OKT. Een Europese ondernemingsraad wordt “louter een dure theaterproduktie voor een lege zaal”. Dat voorspelt jhr.mr. A.A. Loudon, voorzitter van de raad van bestuur van het chemieconcern Akzo. Hij heeft geen goed woord over voor het streven van de Europese Commissie om multinationale ondernemingen te verplichten een Euro-OR op te richten om werknemers te informeren en consulteren over belangrijke beslissingen met internationale reikwijdte.

In het overleg met grote bedrijven moeten vakbonden doorgaans genoegen nemen met de directie van de nationale subholding. Voor de concernleiding zijn zij geen gesprekspartner. Loudon reisde gisteren, op uitnodiging de Europese federatie van vakbonden in de chemische industrie, af naar Nunspeet om uit te leggen dat dit vooral zó moet blijven, althans wat betreft Akzo, dat in 16 Europese landen 46.000 (van in totaal 65.000) werknemers heeft.

De Europese Commissie ijvert, mede op aandrang van het Europees parlement, al jaren voor de regeling van inspraak van werknemers bij “grensoverschrijdende besluitvorming” in grote concerns. Nationaal is er meestal wel iets over geregeld, maar internationaal kan het management zich gemakkelijk onttrekken aan de invloed van ondernemingsraden en vakbonden. Minister De Vries (sociale zaken) sprak vorig jaar in dit verband van “een Europees medezeggenschapstekort”. De Commissie wil dit gat dichten door ondernemingen met meer dan 1000 werknemers in totaal en meer dan 100 werknemers in ten minste twee EG-landen te verplichten een Euro-OR te vormen. De besluitvorming hierover wordt echter gefrustreerd door onenigheid tussen de EG-landen en oppositie van Europese werkgevers.

Loudon hield zijn gehoor in Nunspeet - een vijftigtal vertegenwoordigers van vakbonden uit acht landen - voor dat het idee van de Euro-OR stoelt op het misverstand dat werkgevers uit zouden zijn op "verdeel-en-heers'. “De grote concerns, zo is de redenering, voeren vanuit hun ivoren torens, of beter nog vanuit hun met blauwe spiegels behangen wolkenkrabbers een geraffineerde politiek, die er op neerkomt dat de werkmaatschappijen of business units als een marionet aan een touwtje zitten. En, om eens een bekend gezegde te parafraseren: als de holding het wil, staat heel het raderwerk stil.”

Wie er zo tegenaan kijkt, lijdt, aldus Loudon, aan “het Dallas-syndroom”. De voor het bedrijf en zijn werknemers relevante besluiten worden decentraal genomen en hebben steeds hun uitwerking op een specifieke lokatie. Dat is, aldus nog steeds Loudon, daarom de aangewezen plaats voor het vertegenwoordigend overleg. Een “toegevoegde waarde” voor een Euro-OR ziet hij niet. “Integendeel. Het zal tot eindeloze grensoverschrijdende bemoeizucht leiden en de commerciële slagkracht verminderen.”

Daar komt volgens de Akzo-topman nog bij dat “een vierde overleglaag” niet past bij de bestaande arbeidsverhoudingen, omdat deze binnen de landen van de Europese Gemeenschap “een enorme diversiteit” vertonen. Ten slotte lopen de bestaande ondernemingsraden volgens hem nauwelijks warm voor de Euro-OR. “Is niet juist het grote bezwaar van menige lokale ondernemingsraad dat men zich voor de voeten gelopen ziet door de mensen van de centrale ondernemingsraad?” Kortom, als het gaat om medezeggenschap dan moet de lokale werkmaatschappij de eerstverantwoordelijke blijven, waarbij Loudon aantekent dat het corporate centre de werkmaatschappij wel in staat moet stellen de werknemers te informeren over “bredere Akzo-zaken en achtergronden”.

De toespraak van Loudon was nogal ontnuchterend voor de toehoorders. Ze waren net lekker gemaakt met een vurig pleidooi van bestuurder B. Roodhuizen van de Industriebond FNV, dat culmineerde in een oproep aan Loudon “een eerste stap te zetten naar Europees Akzo-overleg”. In een experiment met een Euro-OR ligt volgens hem een uitdaging voor een chemieconcern dat pretendeert voorop te lopen op allerlei fronten.

Door de voortschrijdende internationalisering van ondernemingsactiviteiten vertonen de nationale overlegstelsels volgens Roodhuizen steeds meer mankementen. “Als hogerop in het concern lijnen worden uitgezet waarnaar nationale dochters zich hebben te voegen, kan de nationale zeggenschap op vestigingsniveau zijn loop niet hebben.” Daarom zou de concernleiding aan de tand gevoeld moeten kunnen worden over onderwerpen die van belang zijn voor alle Europese vestigingen.

Als voorbeelden noemde Roodhuizen werkgelegenheid, concernstructuur, ontwikkelingen in produktiviteit en kostenstructuren, nieuwe technologieën, arbeidsorganisatie, arbeidsomstandigheden en belangrijke gevolgen van politieke ontwikkelingen. Dit lijstje had hij ontleend aan het overleg dat Volkswagen twee keer per jaar voert met afgevaardigden van ondernemingsraden uit de Europese landen waar het concern is gevestigd. Een soort Euro-OR op basis van vrijwilligheid, want formalisering wijst de VW-directie consequent af. Loudon noemde het VW-model “een interessante variant”, zolang "Brussel' er maar geen wettelijke verplichting van maakt.

    • Joop Meijnen