Wiebenga: Voorkeur voor federatie Aruba, Antillen

AERDENHOUT, 27 OKT. Het overleg over vernieuwing van de toekomstige staatkundige verhoudingen tussen de Koninkrijksdelen zit in een impasse. Die is alleen te doorbreken met een nieuwe, grondig voorbereide conferentie waaraan alle Antilliaanse eilanden en het zelfstandige Aruba deelnemen.

Dit zegt de voorzitter van de Vaste Commissie voor Koninkrijkszaken, mr. J. Wiebenga (VVD), aan de vooravond van het Kamerdebat over de begroting voor de hulp aan de Antillen en Aruba. Wiebenga vindt dat de verantwoordelijke minister, mr. E. Hirsch Ballin, de verkeerde volgorde volgt in zijn beleid door het Statuut voor het Koninkrijk op belangrijke punten te willen wijzigen, terwijl nog volstrekt onduidelijk is hoe de rijksdelen in de toekomst met elkaar willen samenwerken.

Volgens het huidige Statuut moet Aruba per 1 januari 1996 het Koninkrijk verlaten en volkenrechtelijk onafhankelijk worden. Die bepaling is in de jaren tachtig opgenomen en was de voorwaarde van Nederland om het eiland vanaf 1986 een "status aparte' (een zelfstandige positie als land binnen het Koninkrijk, los van de Antillen) te verlenen. Vooral door toedoen van Hirsch Ballin heeft het kabinet-Lubbers III twee jaar geleden het roer radicaal omgegooid. Niet langer dringt Nederland aan op onafhankelijkheid van de rijksdelen in de West; Aruba en de Antillen mogen deel van het Koninkrijk blijven uitmaken zolang ze dat zelf wensen.

Minister Hirsch Ballin heeft nu wetsvoorstellen bij de Tweede Kamer aanhangig gemaakt die beogen de onafhankelijkheidswording van Aruba weer te schrappen, maar wel speciaal voor dit eiland een regeling te maken die het mogelijk maakt dat Aruba later op een soepele manier uit het Koninkrijk kan stappen. Verder stelt Hirsch Ballin een wettelijke regeling voor van het "Solidariteitsfonds' voor financiële hulp aan de armlastige, kleine Antilliaanse eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Wiebenga steunt met de meeste collega's in zijn commissie het schrappen van de onafhankelijkheid van Aruba, omdat het eiland niet tegen zijn zin uit het Koninkrijk mag worden gezet. “Maar je weet op geen stukken na wat zo'n wijziging betekent voor de Antillen, daarover tasten we in het duister. Met welk recht kun je Curaçao, dat ook zo'n status aparte wil, straks onthouden wat je wel aan Aruba toestaat?” Daarom moet er eerst intensief overleg met de Antillen en Aruba worden gevoerd, vindt de VVD'er. Eerder kunnen de wetsvoorstellen tot wijziging van het Statuut niet behandeld worden. Uit een reeks uitermate kritische vragen van CDA, PvdA en de kleine christelijke fracties aan Hirsch Ballin in de schriftelijke gedachtenwisseling over de wetsvoorstellen blijkt dat een grote Kamermeerderheid het met zijn kritiek eens is.

Vorige maand probeerde de minister in een gesprek met vertegenwoordigers van Aruba en de Antillen in Oranjestad (Aruba) nog spijkers met koppen te slaan over de staatkundige toekomst, maar de gepubliceerde Conclusies van dat beraad blinken uit door nietszeggendheid. Wiebenga: “Daar is niets uitgekomen, het is slechts een procedurebesluit. Hirsch Ballin ziet nu kennelijk zelf in dat hij er zó niet uitkomt.” In februari willen de partijen een "Toekomstconferentie' houden. “Die conferentie”, aldus Wiebenga, “zou nu grondig moeten worden voorbereid door een nieuwe Koninkrijkscommissie met ervaren leden uit alle drie de landen, à la de Commissie-Biesheuvel die dat eerder heeft gedaan. Anders wordt het niks. Maar de voorbereidingstijd wordt nu wel erg kort. Ik maak me daar zorgen over.”

Wiebenga noemt een achttal varianten die voor de toekomstige staatkundige structuur van de Antillen en Aruba kunnen gelden. Twee uitersten zijn volledige onafhankelijkheid van de Antillen en Aruba, of alle eilanden worden gemeenten van Nederland, zoals een aantal vroegere koloniën van Frankrijk als Guadeloupe en het noordelijk deel van Sint Maarten. Daar tussenin liggen meer reële mogelijkheden: associatie met Nederland in een soort Gemenebest, behoud van de Koninkrijksrelatie, al of niet met een splitsing van de Antillen waarbij eventueel de kleine, arme eilanden tot gemeenten van Nederland worden verklaard, of een federatie van de Antillen en Aruba binnen het Koninkrijk met een licht centraal gezag voor alle zes eilanden.

Voor die laatste variant spreekt Wiebenga een lichte voorkeur uit. “Als het Koninkrijk tot in lengte van jaren wordt voortgezet vindt ik de status aparte van Aruba en eventueel andere eilanden als eindmodel niet zo goed. De gewenste samanhang, de solidariteit tussen alle zes eilanden komt daarin niet goed uit de verf. Maar mijn pleidooi is dat Nederland nu geen voorkeur uitspreekt. De rijksdelen moeten de gelegenheid hebben dat helemaal zelf uit te werken.”

Door de bestaande onduidelijkheid en onderlinge meningsverschillen in de West over de toekomstige verhoudingen vindt Wiebenga de wijzigingen in het Statuut die Hirsch Ballin nu wil doorvoeren, prematuur. “Eerst moet je weten hoe we met elkaar verder gaan, voor je het Solidariteitsfonds een wettelijke basis geeft. Tegenstrijdig vind ik ook dat de minister in de toelichting op zijn voorstel een limiet stelt voor de bijdrage van Aruba in het fonds: maximaal 1,5 procent van de inkomsten van het eiland. Die beperking staat niet in de wet zelf. Opnieuw geldt hier: wat je aan het ene eiland geeft, kun je het andere niet weigeren.”

Hetzelfde geldt volgens Wiebenga voor de regeling die de minister wil voor het zelfbeschikkingsrecht van Aruba. “Dat slaat nergens op. Als dat al nodig is, moet je het voor alle eilanden regelen. Maar ik acht het overbodig, omdat hierover duidelijke resoluties van de Verenigde Naties bestaan. Alles wat je nu extra gaat regelen betekent juist een beperking van het zelfbeschikkingsrecht.”