Rapport van commissie-Van Kemenade: "Geld voor achterstand in onderwijs herverdelen'

UTRECHT, 27 OKT. Geld om de achterstand van allochtone leerlingen in het onderwijs weg te werken, moet op een radicaal andere manier over de scholen worden verdeeld. Het aantal leerlingen dat nu onder de subsidieregeling voor het achterstandsbeleid valt, is veel te hoog.

Dit stelt een commissie onder leiding van oud-minister van onderwijs J. van Kemenade in een rapport over het onderwijsbeleid voor allochtonen. De commissie noemt drie beleidsonderdelen die aan verandering toe zijn: de subsidiëring van scholen met "achterstands-kinderen', het onderwijs in Nederlands als tweede taal en het onderwijs in de eigen taal en cultuur (OETC) aan allochtone kinderen.

De bevindingen van de commissie werden gisteren in Utrecht aangeboden aan staatssecretaris Wallage (onderwijs), die het een “eerlijk rapport” noemde en beloofde de belangrijkste aanbevelingen in het kabinet te verdedigen.

Scholen krijgen nu geld naar het "gewicht' van hun leerlingen. Een kind van een etnische minderheid telt daarin voor 1,9, een autochtoon kind met ouders die een laag opleidingsniveau hebben voor 1,25. Momenteel heeft zo'n 50 procent van alle basisschoolleerlingen een "gewicht' boven 1,0. Dat moet worden teruggebracht naar 20 à 25 procent, meent de commissie. Tachtig procent van de scholen krijgt in een of andere mate middelen uit de hiermee samenhangende regeling. Vaak wordt het geld gebruikt om de klassen te verkleinen en extra leerkrachten aan te stellen.

Van Kemenade noemde het “overdreven” dat tachtig procent van de scholen gebruik maakt van middelen voor achterstand. Een groot deel van de scholen die nu onder de regeling vallen, zal straks geen extra geld meer krijgen, bevestigde staatssecretaris Wallage.

De commissie vindt dat het enige criterium voor een hoger "gewicht' de opleiding van de beide ouders mag zijn. Etnische afkomst is op zich geen indicatie voor een achterstand. Wel hebben allochtone leerlingen nog te maken met een achterstand in de beheersing van de Nederlandse taal.

Het huidige budget voor het achterstandsbeleid (nu zo'n 600 miljoen gulden) moet worden gehandhaafd, maar de commissie stelt voor "urgentiegebieden' af te bakenen, waar zich een bundeling van problemen voordoet en waar dus ook het meeste geld naartoe moet. Dat geld zou moeten worden verdeeld door een "gebiedsautoriteit' waarin gemeenten en schoolbesturen samenwerken. Daarnaast is er ook geld voor urgentiescholen. Leerkrachten op deze scholen zouden tevens een hoger salaris moeten krijgen. Tijdens een overgangsperiode van drie jaar is wel zo'n 40 à 50 miljoen extra nodig, denkt de commissie. Aan scholen buiten de urgentiegebieden kan namelijk niet meteen geld worden onttrokken door formatieplaatsen te schrappen, omdat zij dan in de problemen komen en de ontslagen leerkrachten een wachtgeldregeling moeten krijgen.

De scholen in urgentiegebieden zullen resultaten van hun achterstandsbeleid openbaar moeten maken, stelt de commissie voor. Blijven die langdurig beneden peil, dan moet de betreffende school een nader te bepalen sanctie kunnen krijgen.

Ondanks alle energie en geld die erin is gestoken, is totnutoe maar weinig verbetering gekomen in de achterstand van allochtonen in het onderwijs, stelt de commissie vast. Al voordat allochtone kinderen aan de basisschool beginnen, hebben zij een achterstand, die nog altijd verder oploopt tijdens de schoolperiode.

De commissie uit ook ernstige kritiek op het huidige onderwijs in Nederlands als tweede taal. Dat is nog te vaak op dezelfde wijze opgebouwd als Nederlands voor autochtone kinderen. Het onderwijs in de eigen taal en cultuur (OETC) vindt de commissie belangrijk, in elk geval om de eigen culturele positie van allochtonen te verstevigen.

Leerlingen die nog onvoldoende het Nederlands beheersen - in het basisonderwijs, voortgezet onderwijs of in de volwasseneneducatie - zouden moeten worden bijgespijkerd in opvangklassen. Deze cursussen mogen maximaal 12 tot 16 maanden duren. Naast taallessen moet er maatschappijleer worden gegeven en basisvaardigheden voor het reguliere onderwijs.

De onderwijsbonden reageerden vanochtend terughoudend op het rapport. De Katholieke en de Protestants-christelijke onderwijsvakorganisaties en de Algemene bond voor onderwijzend personeel (ABOP) maken zich vooral zorgen over het doorbreken van het gewichtenstelsel. “Wat gebeurt er met de scholen die formatieplaatsen moeten inleveren”, zo vraagt de ABOP zich af.