Een weggetje dat Awater heet

Een van de raadselachtigste gedichten in de Nederlandse taal is "Awater' van M. Nijhoff, eind 1934 verschenen in zijn bundel Nieuwe gedichten. Tientallen onderzoekers zijn ermee in de slag geweest. Hun bevindingen zijn in 1981 door Dirk Kroon verzameld in een boek van vierhonderd pagina's, Nooit zag ik Awater zo van nabij. Zijn daarmee alle raadselen opgelost? Dat valt tegen. Het lijkt wel of achter elke oplossing meteen een nieuw mysterie opdoemt.

Neem alleen maar de naam van de man uit het gedicht: Awater. Hoe de dichter aan die naam is gekomen heeft hij verteld in enkele lezingen. Op een middag dronk hij koffie bij een vriend, de schilder Pijke Koch in Utrecht (ik vul persoons- en plaatsnamen nu maar in). Daar was ook de vader van Koch aanwezig, arts in Beek bij Nijmegen. Die voerde een telefoongesprek om te vragen hoe het ging met een zekere Awater. Hij kreeg te horen dat die was overleden.

“Daarmee sterft de laatste van zijn geslacht”, had hij gezegd. En hij had aan de koffietafel iets verteld over een merkwaardige hartaandoening waaraan deze patiënt had geleden. Terstond had Nijhoff besloten de man in het gedicht, dat hij al enige tijd onder handen had, Awater te noemen.

Over dit verhaal en later door de dichter toegevoegde bijzonderheden is veel verwarring ontstaan. Eén detail is alvast onjuist: de overledene was niet “de laatste van zijn geslacht” geweest. K. Heeroma heeft vastgesteld dat er in het stukje Nederland ten oosten van Nijmegen in 1947 wel zesennegentig Awaters woonden.

Vorig jaar is Thed Maas op zoek gegaan naar een Awater die in 1934, het jaar waarin Nijhoff zijn gedicht schreef, zou zijn overleden. Hij vond een Jan Awater uit Erlecom, bij het zwemmen in de Waal verdronken op 16 juni 1934, een dag voor hij zeventien zou worden.

Hartaandoening? Daar wist zijn jongere broer, die in Ooij aan de Dr. Kochlaan woonde, niets van. Wel vertelde hij dat Jan “heel snel blauw” werd als hij zich kwaad maakte. “Als hij zich stootte, had-ie meteen een blauwe plek. Maar hij had er verder geen last van hoor. Hij werkte als een paard op de steenoven.” (De Gelderlander, 5 augustus 1991). Behoudens tegenbewijs moet 17 juni 1934, een zondag, de dag zijn geweest waarop Nijhoff de naam Awater vernam.

Niet lang geleden kreeg ik een telefoontje van een familielid in het oosten van het land: “Als je een weggetje wilt zien dat Awater heet, dan moet je hier komen.” Zo'n uitnodiging slaat een mens niet af. Op een middag verlieten wij per auto het dorp Winterswijk langs de Wooldse weg, richting Bocholt. Paspoort bleek niet meer nodig, het douanehuisje bij de grens was al maanden gesloten.

Wij reden door onstuimige bossen tot in het dorp Barlo. Daar sloegen wij bij de kerk linksaf. Een kilometer of twee volgden wij de Barloër Strasse, richting Rhede. Toen zagen wij, haaks op de hoofdweg, links en rechts een smalle zijweg met bordjes "Awater'.

Een kale, rechte weg dwars door de maïsvelden. Een weg waaraan niets te beleven valt. Zuidwaarts verrijst het Schloss Diepenbrock, stamslot van een familie die in Nederland zo geen beroemd, dan toch een bekend componist heeft voortgebracht. Het kasteel is niet voor publiek toegankelijk. Wel kun je in een lelijk voorgebouw een stukje eten.

Ligt de oorsprong van de Gelderse Awaters in deze streek? Dat staat nog te bezien. Als hier ooit een boer Awater heeft gewoond, dan had die weg naar hem genoemd kunnen zijn. Dit soort naamgevingen kom je aan beide kanten van de grens wel meer tegen. Maar dan zou die weg Awaterstrasse hebben geheten of, in lokaal patois, Awaterdiek. Maar hij heet gewoon Awater, en verder niks.

Nijhoff was door die naam gefascineerd omdat hij er tweemaal water in herkende, want A, denk aan de Drentse Aa, betekent ook water. Maar bij de weg Awater is nergens water te bekennen. In geen velden of wegen.