Een echte Raleigh

Ik ben twaalf jaar. Iedereen heeft een fiets. Behalve ik. Waarom krijg ik niet zoals elke jongen van mijn leeftijd een fiets op mijn verjaardag? Ik heb toch een echte vader en moeder? Ik ben toch geen wees? Maar ja, geen geld, geen fiets. Oom heeft een mooie. Een echte Raleigh. Lichtgrijs en goud gemoffeld. Onder het zadel hangt een leren tasje met een koperen schuifslot en in dat tasje zit een geel stofdoekje. Als oom zijn fiets op slot heeft gezet, poetst hij daarmee steevast zijn stuur extra glanzend op, of slaat met een nonchalant gebaar een denkbeeldig stofje van de sierstrip van de kettingkast. Bij slecht weer komt hij op zijn door-de-weekse. (Die kan hij net zo goed aan mij geven. Maar daar is hij veel te gierig voor).

Vader met oom de deur uit. Daar ligt zijn fietssleuteltje. Niemand die me ziet en zoef, weg ben ik. Dat rijdt lekker zeg. Je hoeft bijna niet te trappen. Rikketik tikt de versnelling. Wat een geglitter in die spaken. Moet je die schone, witte voorband zien. In een tuintje staan een mevrouw en meneer vol bewondering te kijken: wat een bofkont op zo'n mooie fiets. Zeker een Fongers of Gazelle. Een Batavus? Nee, nee, een echte Raleigh meneer. Je zult toch zulke ouders hebben die zoiets met gemak kunnen betalen en met alle liefde over hebben voor hun deftige zoon. Die woont vast niet op een bovenwoning met een blinde muur waar altijd tegenaan wordt gepiest. Die fietst straks richting Heereweg, waar de sjieke mensen wonen. Het witgeschilderde tuinhek door van de villa, waarin hij gelukkig geheel alleen met zijn rijke ouders woont. (Zonder die vervelende broertjes en zusjes, waarvan er altijd wel eentje niet zindelijk is te krijgen en de rest ruft en pest).

Ik sla linksaf het park in. Wat straalt iedereen. De fontijn spuit zijn glinsterwater omhoog naar de zon. Moet je die meisjes zien. Wat is iedereen blij en gelukkig als je op zo'n mooie fiets zit. Het rijwielpad is vers geteerd. Ze hebben er hagelschoon grind op gestrooid. Lekker ruikt die teer.

Mevrouw, kijk uit bij het oversteken met uw kinderwagen. Als uw kindje later groot is geeft u het hopelijk ook zo'n mooie fiets. Even de versnelling uitproberen. Hoe doet oom dat ook weer? Hij staat nu in zijn normaalstand, maar zo fietst iedereen. Of niet soms? Achteruit trappen. Laten vieren. Precies. Rikketik. Rikketik. Nu het hendeltje naar je toe halen. Geweldig, dat werkt. Ik kan het. Pas op. Uit de weg. Daar kom ik aan. Zo'n derde versnelling, dat trapt zwaar zeg. Maar eigenlijk ook licht door het toerental dat je maakt. Ik ga eens overschakelen in zijn een. Sneller trappen, maar ook soepel. Stel je voor dat je je hele leven zo zou kunnen doorfietsen. Nu weer in zijn twee. Even gewoon. Dat mag ook wel een keer.

Kijk die drie slobbertjes daar eens jaloers staan kijken. Die krijgen in hun hele leven geen fiets. Die hebben misschien helemaal geen ouders. Daar springt er eentje zo maar midden op het fietspad.

Wie pakt me daar van achteren vast? Snel in de derde versnelling. Ben ik zo weg. Wat gebeurt er nu? Ik lig met fiets en al op de grond. Mijn knieën in het grind. Mijn broek in de verse teer. Wat bungelt daar zo los aan het stuur?

De slobbertjes staan om mijn fiets heen. Hé zeg, van mijn fiets afblijven. Weg met jullie!

Weg met jullie? Hoe weg met jullie. Wat weg met jullie. Moet je hem zien. Moet je die broek zien. Die knieën. Kijk eens, de hele versnelling heeft die lul er afgebroken. Hoe kom jij eigenlijk aan die fiets? Die is vast niet van jou. Of wel? Zeker gestolen. Hij kan er niet eens op fietsen. Geef hier. Laat mij eens. Nee mij, laat mij eens. Met zijn drieën gaan ze er op ooms fiets vandoor. Maar als de versnelling kapot is mag je toch niet... Daar vliegt het leren gereedschapstasje door de lucht. Daar gaat het gele stofdoekje. Ik hoor krak. Er is geen beweging meer in de fiets te krijgen. Eén breekt het pompje er af. Een ander schopt een gat in de kettingkast. Het stuur is helemaal verbogen. Tranen over mijn wangen. Ik weet dat ik nooit, nee nooit meer naar huis zal durven. Nooit meer. Nee, echt waar. Nooit, nee nooit meer.

    • Jean-Paul Franssens