Defensiebeleid onder Clinton vooral kwalitatief anders

“Militair symbolisme” en “patriottisme”. Dat waren de voornaamste kenmerken van de Amerikaanse verkiezingsstrijd in 1988. In de ongelijke strijd tegen de bij het defensie-establishment en defensie-industrie populaire Bush, liet de toenmalige democratische presidentskandidaat Dukakis zich zelfs speciaal overvliegen naar een oefenterrein om zich rijdende in een M-1A1-tank aan de media te tonen. In schril contrast hiermee lijkt in de huidige verkiezingscampagne het onderwerp defensie zich voornamelijk te beperken tot de vraag welke rol Clinton tijdens de Vietnam-oorlog heeft gespeeld. Nu zijn de verschillen van inzicht tussen Bush en Clinton over het buitenlands en veiligheidsbeleid ook niet bijzonder groot. Een paar maanden geleden stelde het weekblad Time zich zelfs de vraag of Clinton een kloon van Bush is. Het gematigd verkiezingsprogramma van de gouverneur van Arkansas is dan ook een belangrijke reden dat in tegenstelling tot vier jaar geleden verscheidene conservatieve democraten zijn teruggekeerd in de moederschoot van de voornamelijk door liberalen beheerste Democratische partij.

Opmerkelijk is bijvoorbeeld de openlijke steun van de gepensioneerde admiraal Crowe voor Clinton. De gepensioneerde admiraal, die zowel onder de regering-Reagan als onder de regering-Bush voorzitter van de verenigde chefs van staven in Washington was, verklaarde vorige maand: “Er bestaat bij mij geen twijfel dat de nationale veiligheid van dit land, allereerst afhankelijk is van de binnenlandse spankracht, zowel op economisch als industrieel, sociaal en onderwijskundig gebied. De wijze waarop gouverneur Clinton deze beleidssectoren wil aanpakken maakt op mij een zeer verstandige indruk”. De naam van Crowe wordt inmiddels genoemd als toekomstig directeur van de CIA.

Maar ook koude-oorlogveteraan Paul Nitze, die onder de regering-Reagan met de Sovjets over nucleaire wapens onderhandelde, heeft zijn voorkeur voor de gouverneur van Arkansas uitgesproken.

Door de dominante rol die de binnenlandse problemen in deze verkiezingscampagne speelt is tot nu toe vrijwel geen aandacht besteed aan het defensiebeleid dat beide kandidaten voor ogen staat. Bij bestudering van de speeches, interviews en programma's van de kandidaten komt toch een aantal verschillen naar voren. Zoals bekend voert de regering-Bush een afslankingsoperatie uit bij de krijgsmacht die in 1995 moet zijn voltooid. Wat dan rest is de zogenaamde Base Force. Het aantal parate landmachtdivisies zal dan zijn teruggebracht van 18 tot 12, het aantal marineschepen van 530 tot 450, terwijl de luchtmacht van de 22 parate tactical fighterwings er 7 moet inleveren. Het bestand aan parate militairen zal na een reductie van 25 procent in 1995 nog 1,6 miljoen bedragen.

Clinton heeft zich nog weinig concreet uitgelaten over de structuur van de toekomstige Amerikaanse krijgsmacht. Wel heeft hij aangekondigd in totaal 60 miljard dollar meer te willen bezuinigen dan de reeds door Bush geplande 64 miljard dollar aan bezuinigingen gedurende de jaren 1993-1997. Anders gezegd: onder Bush als president gaat er in de periode 1993-1997 in totaal 1420 miljard dollar naar defensie, onder Clinton 1360 miljard dollar. Bovendien wil Clinton in dezelfde periode het aantal parate militairen met 200.000 man meer inkrimpen dan Bush van plan is.

Voor wat betreft de dreigingsanalyse en de structuur van de krijgsmacht ziet het ernaar uit dat Clinton stevig zal leunen op de adviezen van de voorzitter van de defensiecommissie in het Huis van Afgevaardigden, Les Aspin en de voorzitter van de defensiecommissie in de Senaat, Sam Nunn. Aspin, wiens politieke ster op Capitol Hill tot grote hoogten is gerezen en die een serieuze kandidaat is voor de defensieportefeuille, heeft al het nodige voorwerk verricht. In een aantal aandacht trekkende rapporten aan het Congres heeft Aspin eerder dit jaar uiteengezet op welke wijze de Amerikaanse krijgsmacht na de koude oorlog ingericht moet worden. Zich afzettend tegen de top down-benadering met de bijbehorende kaasschaafmethode die de Bush-administratie hanteert, bepleit Aspin juist een bottom up-benadering gebaseerd op een dreigingsanalyse van de huidige veiligheidssituatie. Aspin onderkent ruwweg drie verschillende soorten "dreigingen' waarop de Amerikaanse krijgsmacht een antwoord moet kunnen geven. Dit zijn een regionale dreiging zoals die uitging van Irak tijdens het conflict rondom Koeweit ("Desert Storm'), de dreiging van de drugsdoorvoer in Panama in 1989 ("Just Cause') en een bedreiging van de Koerden zoals in Noord-Irak in 1991 ("Provide Comfort'). Uitgaande van de verschillende militaire bouwstenen die voor deze operaties noodzakelijk waren, heeft Aspin vier verschillende opties op de structuur en omvang van de Amerikaanse krijgsmacht ontwikkeld. Vooral optie C, die globaal binnen de financiële ruimte van Clinton voor defensie past, heeft veel aandacht getrokken. Realisering van deze keuze moet de Verenigde Staten in staat stellen tegelijkertijd twee grote regionale conflicten (waarvan één voor langere duur), een operatie à la Panama en een operatie à la Noord-Irak, te voeren. Opvallend is dat in de visie van Aspin ook een hernieuwde dreiging van Rusland als een regionaal conflict wordt beschouwd.

Qua omvang telt optie C drie parate landmachtdivisies, éénderde parate mariniersdivisie, vijf parate wings en 110 marineschepen minder dan de in 1995 voorziene Base Force van Bush. Deze reducties moeten vooral ten goede komen aan de strategische mobiliteit. Dit geschiedt onder meer door zowel het aantal snelle transportschepen als de mondiaal gestationeerde maritieme "pre-positioning' schepen uit te breiden van 8 naar 24. (maritieme pre-positioning schepen zijn drijvende opslagplaatsen waarin zich alles, van toiletpapier tot tanks, bevindt).

Voor wat betreft de structuur van de krijgsmacht sluit Clinton zich aan bij de kritiek van senator Nunn over de huidige overlappingen. “Ik ben het met senator Nunn eens dat het tijd is een frisse blik te werpen op de basisstructuur van onze strijdkrachten. We hebben vier onafhankelijke luchtmachten, een afzonderlijke voor de mariniers, landmacht, marine en luchtmacht. Zowel de landmacht als de mariniers beschikken over lichte infanteriedivisies. De marine en de luchtmacht beschikken over onafhankelijk van elkaar ontwikkelde maar gelijksoortige gevechtsvliegtuigen en tactische raketten. We hebben ten minste drie en in sommige gevallen vier afzonderlijke korpsen voor de gezondheidszorg, geestelijke verzorging, tandheelkunde, juridische zaken en verpleegkundigen”. Aldus Clinton in een toespraak in Los Angeles in augustus waarbij hij al aankondigde na zijn aantreden als president een fundamentele discussie in het Pentagon te initiëren over de rol en missie van de Amerikaanse krijgsmacht.

Een ander verschil tussen Bush en Clinton betreft de omvang van de Amerikaanse presentie in Europa. Terwijl Bush het aantal troepen wil halveren tot 150.000 heeft Clinton onlangs verklaard deze terug te brengen tot 75.000 à 100.000 man. Ook hebben beide presidentskandidaten een verschillende visie op het SDI-programma. Zoals bekend maakte president Bush begin vorig jaar bekend het SDI-project om te vormen tot een wereldomvattend afweersysteem tegen zowel strategische als tactische ballistische raketten, het Global Protection Against Limited Strikes (GPALS)-project. Bush is hierbij voorstander van zowel in de ruimte als op de grond gestationeerde wapensystemen. Clinton daarentegen wil dat het project beperkt blijft tot op de grond gestationeerde systemen zoals de Patriot en Arrow, waardoor geen sprake zal zijn van schending van het ABM-verdrag. Ten slotte heeft Clinton zich duidelijker dan Bush uitgesproken voorstander te zijn van een gefaseerd in te voeren totale stop van kernwapenproeven. De democratische presidentskandidaat heeft gezegd te beseffen dat dit noodzakelijk is voor het voortbestaan van het non-proliferatieverdrag na 1995.

De eindconclusie van het voorgaande kan kort zijn. Onder Clinton in het Witte Huis zijn meer kwalitatieve dan kwantitatieve veranderingen op defensiegebied te verwachten. Het hoofdaccent zal hierbij vooral liggen op een vergroting van de strategische mobiliteit.

    • C. Homan