De laatste kans

De sociale partners zijn kennelijk bereid de "laatste kans voor de overlegeconomie' te grijpen die PvdA-fractievoorzitter Thijs Wöltgens hun bij de algemene politieke en financiële beschouwingen in de Tweede Kamer heeft geboden. Bij de voorbereiding van een advies van de Sociaal-Economische Raad over het beleid dat de komende jaren moet worden gevoerd op weg naar de Economische en Monetaire Unie zijn zij het immers eens geworden over de belangrijkste hoofdlijnen. Daarmee hebben zij de weg geëffend voor centrale afspraken over 1993.

In de ogen van Wöltgens is daardoor de overlegeconomie gered en het kabinet uit de brand. Diens reactie kan inderdaad, zoals de voorzitter van het VNO, Rinnooy Kan, heeft gezegd, merkwaardig worden genoemd. Hij is immers de man die steeds roept om het primaat van de politiek.

De vraag kan worden gesteld of het kabinet zich tot gijzelaar maakt van de sociale partners. Het lijkt er wel wat op, nu de SER zich eenstemmig uitspreekt voor verdere verlaging van de collectieve lastendruk als voorwaarde voor loonmatiging en het scheppen van banen. Het is trouwens de vraag of er met de overheid lange termijnafspraken zijn te maken over lastenverlichting, want welk kabinet zal zich daarop kunnen vastleggen? De uitspraken van minister De Vries van sociale zaken wekken in dit opzicht ook weinig illusies.

Een centraal akkoord is in feite een "afruiltransactie' waarbij drie partijen zijn betrokken. Zo'n gebeurtenis doet zich in ons land met een frequentie van eens per tien jaar voor. In 1972 kwam voor het eerst zo'n zeldzame overeenkomst tot stand. Het moest tot 1982 duren voor zich weer de gelegenheid zou voordoen voor een grote afruil. Onder druk van de van maand tot maand met tienduizenden oplopende werkloosheid offerde de vakbeweging toen de automatische prijscompensatie voor arbeidstijdverkorting en ten bate van herstel van de rendementen.

De voorzitter van de SER, ir. Th. Quené, merkt in een interview met deze krant terecht op dat dit "akkoord van Wassenaar' een structurele invloed heeft uitgeoefend op de arbeidsverhoudingen in ons land. De overlegeconomie functioneerde in de jaren tachtig in zover voorbeeldig dat iedereen zich keurig hield aan de door de barre omstandigheden afgedwongen loonbeheersing.

Dat was niet het enige gevolg van dat akkoord. Van blijvende betekenis was dat er een eind kwam aan het centralistische loonbeleid. De overheid moest afstand doen van één van haar instrumenten voor sturing van de sociaal-economische ontwikkeling, de loonpolitiek. Het gevolg is dat zij zich daardoor blijvend afhankelijk heeft gemaakt van de vrijwillige medewerking van werkgevers en werknemers.

De overlegeconomie staat voortdurend onder kritiek. Niet alleen van politici, die zich ergeren aan de traagheid van de advisering en de besluitvorming en aan de feitelijke onmacht van de centrale overheid, maar ook van menige macro-econoom. Quené noemt de overlegeconomie een "institutioneel arrangement waarin werkgevers, werknemers en overheid gezamenlijk mede richting geven aan het economisch proces.' Er zijn critici die hierin een vorm van neo-corporatisme zien dat de stroperigheid van de politieke besluitvorming bevordert.

Ik ben van mening dat onze overlegeconomie verre te verkiezen is boven een laissez-faire-beleid, zoals dat in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië wordt gevoerd. De langdurige recessie, die vooral in het laatste land onder Tory-bewind in een ware depressie dreigt te ontaarden, bewijst dat het vrije marktmechanisme niet louter zegeningen heeft te bieden. De instorting van het Zweedse model laat overigens zien dat ook een tegenovergesteld beleid, gericht op het kunstmatig handhaven van volledige werkgelegenheid, tot economische ontwrichting leidt.

Indien het samenspel tussen werkgevers, werknemers en overheid goed wordt gespeeld, maakt de overlegeconomie een fine tuning van het sociaal-economisch beleid mogelijk. Dat is zeker mede te danken aan de verbreding van de collectieve onderhandelingen die niet alleen meer over lonen gaan, maar ook over maatregelen om de werkgelegenheid te bevorderen. Het mag dan wel "naar het middenveld rieken', zoals een vermaarde monetaristische econoom zou zeggen, de drie terreinen waarop de overheid haar verantwoordelijkheid moet delen met de sociale partners - arbeidsvoorwaarden, sociale zekerheid en arbeidsmarkt - zijn niet vanuit een centraal punt te beheersen. Beleidscoördinatie tussen de drie partijen kan bijdragen tot een evenwichtige sociaal-economische ontwikkeling, zoals het ontwerp-advies zegt. Overleg tussen overheid en sociale partners is onmisbaar voor handhaving van een maatschappelijke stabiliteit die niet per decreet of per dictaat kan worden afgedwongen.

De overlegeconomie werkt ook in ons land lang niet optimaal. Het spel wordt maar in uitzonderingsgevallen zo gespeeld dat de uitkomst meer is dan die van een "zero-sum-game', een uitslag waarbij winst van de één verlies van de ander betekent. In de vorm van gedeelde verantwoordelijkheid is zij echter het enige bruikbare alternatief voor een onhoudbaar gebleken centralistisch model.

    • A.F. van Zweeden