De aardige baas van Teddy

Het kan pose zijn, maar de heer J. Verhagen, een rossige vijftiger in vrijetijdskleding, staat er tamelijk ontspannen bij, kort voor de aanvang van zijn rechtszaak. Alsof hij inwendig wat staat te neuriën. Hij draait zich om naar de rechtszaal die redelijk gevuld is, en laat zijn blik over het publiek - waaronder zijn echtgenote - gaan.

Verhagen beschouwt zichzelf als onschuldig, en hij neemt de daarbij passende mij-kunnen-ze-niets-maken-houding aan. Hij wordt beschuldigd van het plegen van ontucht met twee 9-jarige kinderen, Denise en Wim. Dat is een veel voorkomend delict, maar minder gebruikelijk is de categorische ontkenning ervan door de verdachte. Vaak erkennen verdachten dat er lichamelijk contact is geweest, zij geven er alleen een onschuldiger interpretatie aan.

Mr. Th. Clarenbeek, de voorzittende rechter van de Utrechtse strafkamer, doet geen poging de feiten in verbloemende taal te wikkelen. Uit zijn dossier leest hij voor: “Hij speelde met het plassertje van Denise achter de gymzaal. Hij zei: ,Als je het thuis zegt, doe ik je wat'. Vorsend kijkt hij de verdachte aan: “Dat is u allemaal onbekend?”

“Jawel.”

“Op een dag ging hij er met zijn piemel in. In het tweede verhoor met het meisje wordt daarover iets anders gezegd: dat het slechts tussen haar benen was. Hij boog voorover....en er kwam wit spul uit. Meneer had ook het meisje gevraagd of ze hem wilde likken, maar dat heeft ze niet gedaan. Wel moest ze trekken tot het zaakje er uitkwam. Eh...u allemaal onbekend?”

“Jawel.”

“Een andere mevrouw had een zoontje, Wim, die opeens seksuele spelletjes deed met andere kinderen. Daarop werd u ook door die jongen genoemd. Wim moest uw piemel vasthouden, u probeerde 'm in zijn achterwerk te stoppen, maar dat lukte niet. Dat zou u een keer of vier geprobeerd hebben. Ook dat is uw onbekend?”

“Jawel.”

Het is nu zó stil geworden in de rechtszaal dat het lijkt alsof er niemand meer durft adem te halen. Het heeft ook iets bizars om in dit formele, bijna plechtige decor seksuele beschrijvingen te horen die uit de pen van de markies De Sade lijken te komen.

De twee kinderen kenden Verhagen niet bij naam, ze noemden hem "de baas van Teddy', de poedel die Verhagen elke dag na het avondeten bij het voetbalveldje achter de gymzaal uitliet. De kinderen speelden graag met Teddy en zouden zo in contact zijn gekomen met Verhagen.

De rechter houdt Verhagen voor dat de getuige-deskundige, de orthopedagoog dr. R. Bullens, de verhalen van de kinderen overtuigend vindt. Ze zijn voldoende gedetailleerd en bevatten veel overeenkomsten. Beide kinderen hebben een bovengemiddelde intelligentie. Bullens gelooft niet dat zij het slachtoffer zijn van hun eigen fantasieën of van aansporingen door derden. Wim zou zich tijdens de interviews beschermend hebben opgesteld jegens Verhagen. Hij vond hem een aardige man en wilde er liever niet over praten.

“Wat zegt u ervan?” vraagt de rechter.

“Dat het niet waar is. Dat het van zijn levensdagen niet waar is.”

De rechter wil op iets anders overstappen, maar de advocaat, mr. R. Jelsma, onderbreekt hem. “Mijn cliënt wil nog iets verduidelijken.”

“Kan het nog duidelijker dan dit 'nee'?” vraagt de rechter geïrriteerd.

“Er staat dat Denise bang voor mij was”, zegt Verhagen bedaard. “Maar waarom kwam ze dan zo vaak naar het veld om met de hond te spelen? Tot drie dagen voor mijn inhechtenisneming heeft ze dat gedaan. We praten hier bovendien over een groot grasveld met aan de zijkanten wat struiken en bomen. Je kunt je in die bosjes niet verborgen houden.”

“Kwamen op die plek ook veel andere mensen?”

“Er spelen verschillende kinderen. Het jongetje heb ik er maar één keer gezien.”

De advocaat vraagt of er een buurtonderzoek is ingesteld om erachter te komen of er meer klachten van kinderen zijn. De officier van justitie, mr. J. Krol, vindt dit kennelijk een impertinente vraag, want hij trekt een smalend gezicht. Vervolgens geeft hij een nogal vaag antwoord waaruit niettemin blijkt dat er géén buurtonderzoek is gehouden.

De advocaat vraagt zijn cliënt of hij altijd veel contact heeft gehad met kinderen. Verhagen vertelt dat hij lange tijd sporttrainer is geweest van kinderen. Hij ging zaterdags met ze naar wedstrijden, en bracht ze - als ze alleen waren - ook naar huis. Al die jaren is er geen klacht tegen hem ingediend.

“En u logeert nu bij uw dochter met twee kinderen?” vraagt de advocaat retorisch. “Moet u wel eens op ze passen?”

“Ja, dat is zelfs mijn taak.”

De officier wijst erop dat Denise en Wim, onafhankelijk van elkaar, zijn gehoord door daartoe opgeleide rechercheurs, wier oordeel werd bevestigd door Bullens. Hij eist drie jaar gevangenisstraf.

“Mijn cliënt ontkent na vijfeneenhalve maand nog steeds”, zegt de advocaat. “Voor hem is de grote vraag: waar komen die verklaringen vandaan? Hij weet het niet, maar hij weet wèl dat die kinderen veel met elkaar omgingen. Op die bewuste plaats is niemand ooit iets opgevallen, hoewel Denise stelt dat het misbruik misschien wel dertig keer heeft plaatsgevonden. Daarom wilde ik weten of er een buurtonderzoek is geweest. Nu is er dus geen aanvullend bewijs.”

Met een blik op zijn cliënt zegt de advocaat nog: “Hij is nu gedwongen bij zijn dochter te wonen, zijn hele familie staat achter hem. Hij is zijn hele leven met kinderen omgegaan en er is nooit iets voorgevallen, althans, niet dat we weten...”

Zijn cliënt onderbreekt hem zacht, maar beslist: “Er is nooit iets voorgevallen.”

“We moeten er rekening mee houden dat cliënt onschuldig is”, zegt de advocaat. Hij vraagt vrijspraak.

“Wilt u nog iets zeggen?” vraagt de rechter aan de verdachte.

“Ik wil nog iets zeggen over Wim. Hij spreekt niet negatief over me. Hij heeft er moeite mee me te beschuldigen van dingen die nooit gebeurd zijn. Maar het kind zit klem tussen een gewelddadige vader en de leugens die hij verteld heeft.”

Op de eerste rij klinkt een schampere lach - van de vader.

(Het vonnis, twee weken later: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijftien maanden.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.