"Conservatieve zanger' Ruud van der Meer neemt morgen na 25 jaar afscheid; Ik durf nu wel eens niet mooi te zingen

Met een recital in de Kleine Zaal van het Concertgebouw neemt bariton Ruud van der Meer morgenavond afscheid van het podium. Net als bij het concert waarmee zijn carrière 25 jaar geleden begon, wordt hij begeleid door pianist Rudolf Jansen en zingt hij Frans repertoire.

“Mijn podiumdoop kreeg ik toen ik een jaar of vijftien was,” vertelt Ruud van der Meer. “Ik mocht als hoboïstje invallen bij het Residentie Orkest. We speelden Beethoven onder de vermaarde dirigent Karl Böhm. Voor de grap spraken de hoboïsten af dat ze tijdens de repetitie ineens iets heel anders zouden spelen dan er stond, valse toonladders. Böhm dirigeerde gewoon door, hij had niets in de gaten. Ik was geschokt. Voor een vijftien-jarige is muziek nog heilig.”

Ruud van der Meer is inmiddels 56 jaar en al lang geen hoboïst meer. Vijfentwintig jaar geleden gaf hij als bariton, samen met begeleider Rudolf Jansen, zijn eerste liederenrecital in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw. Morgenavond neemt hij met hetzelfde programma afscheid van het podium.

Van der Meer: “Liever vijf jaar te vroeg stoppen met een beetje pijn, dan één maand te laat en onder invloed van steeds slechtere kritieken met veel pijn. Het besluit om mijn zangcarrière te beëindigen, nam ik anderhalf jaar geleden na een tournee in Italië. Daar moest ik een jankende collega troosten, die van een onbarmhartige criticus te horen had gekregen dat zijn hoge c niet meer zo stralend was als vroeger.”

Van der Meer verdwijnt even onverwacht van het podium als hij 25 jaar geleden begon. In de toekomst zal hij zich bezighouden met de organisatie van het Prinses Christina Concours, een muziekwedstrijd voor middelbare scholieren. Hij denkt niet, dat hij nog veel zal zingen: “Als een stem niet voortdurend getraind wordt, raakt hij helemaal uit vorm. Vorig jaar heb ik een lange zomervakantie gehad. Daarna hing mijn strot onder mijn knieën.”

Belangrijk voor de carrière van Van der Meer was de ontmoeting met oude-muziekspecialist Harnoncourt. “Ik was pas begonnen als professionele zanger en nam iedere opdracht aan. Zo ook die van de Nederlandse Opera Stichting voor een rol in Orfeo van Monteverdi, onder leiding van Harnoncourt. Aanvankelijk wist ik niet wat ik zou zingen. Toen ik zag dat het slechts om drie regeltjes ging, wilde ik afzeggen. Maar gelukkig heb ik dat niet gedaan. Ik moest in een soort schapevacht en met een herdersfluitje in mijn hand over het podium huppelen en aan het eind mijn melodietje zingen. In de zaal was gegiechel te horen, het moet een komisch gezicht zijn geweest. Na een repetitie vroeg Harnoncourt mij of ik hem de volgende dag niet wat Bach kon laten horen. Ik heb twee aria's uitgekozen en ben op grond daarvan gecontracteerd voor opnamen van de Bach-cantates.

“Harnoncourt heeft veel invloed op me gehad. Het concertbedrijf is over het algemeen zakelijk en er is altijd te weinig repetitietijd. Harnoncourt vormt een uitzondering. Toen ik voor het eerst een Johannes Passie onder zijn leiding zong, hebben we wel eens een kwartier besteed aan de interpretatie van het simpele woordje "ja' in een van de aria's.”

Toch is Van der Meer in de eerste plaats bekend geworden als zanger van het Franse lied. Dat heeft te maken met de stemsoort: “Hoe sneller de noten, dus hoe zwarter het papier, hoe meer ik me in mijn element voel. Het Franse repertoire past goed bij mijn licht getimbreerde geluid. Maar ik zing ook graag werken uit de Duitse romantiek. Het heeft me moeite gekost om van dat Franse stigma af te komen.

“Echt modern repertoire is niet aan mij besteed. Ik heb eens een stuk van Webern gezongen voor koor en solisten - dus niet eens zo heel modern. Na afloop zei een van de koorzangers dat ik iedere noot precies op zijn kop had geraakt. Voor mijn gevoel had ik een sportieve prestatie geleverd en geen muzikale. In een werk van een Nederlandse moderne componist - ik zeg liever niet wie hij was - zong ik ooit na het omslaan van de bladzijde alles per ongeluk een halve toon te hoog. De componist zat er bij en had niets in de gaten. Ik kan dat soort muziek niet begrijpen.

“Ik zing wel liederen van Louis Andriessen. Maar die schreef hij toen hij zeventien jaar was. Ze zijn aan mij opgedragen, maar eigenlijk bedoeld voor een meisje waarop hij toen smoorverliefd was. Ze klinken nog naar vader Hendrik, naar Debussy en Ravel.”

Van der Meer beschouwt zichzelf als een conservatieve zanger: “Ik heb nooit meegedaan aan bepaalde modes in het zingen. Vooral in Amerika hebben critici mij wel eens verweten dat ik te "mooi' zong. Waarschijnlijk hadden ze gelijk. Ik hou van een verzorgde presentatie, zoals ik in het dagelijks leven hou van goede omgangsvormen en mooie dingen. Maar de laatste jaren durf ik, als de interpretatie er om vraagt, ook wel eens niet mooi te zingen.”

    • Paul Luttikhuis