Apothekerscoöperatie OPG zoekt expansie via beurs

De farmaceutische groothandel en geneesmiddelenfabrikant OPG krijgt donderdag als eerste coöperatie notering op de Amsterdamse effectenbeurs. Het bedrijf zoekt expansie en heeft daarvoor geld nodig. Beleggend Nederland kijkt de kat uit de boom.

Vol zelfvertrouwen en overtuigd van de kracht van hun onderneming presenteerden de OPG-bestuurders zich de afgelopen dagen aan beleggers, pers en analisten. Hoewel de opkomst van belangstellenden steeds groot was, loopt het met de inschrijving op de OPG-certificaten - vandaag gesloten - niet storm. Het slechte beursklimaat en de herinnering aan het debâcle van Medicopharma maken beleggers afwachtend.

OPG-bestuursvoorzitter drs. W.A.M. de Bruijn kan van die terughoudendheid niet wakker liggen. De ondernemingsleiding heeft lang nagedacht over de beursgang en volgens De Bruijn zeker geen overmoedig besluit genomen. “We waren er klaar voor.”

Met zijn bestuursgenoten drs.ing. R.J. Peek en mr.drs. J.M.J. Blom heeft De Bruijn de vorige week geheel besteed aan roadshows, bijeenkomsten waarop potentiële beleggers en analisten warm worden gemaakt voor het nieuwe fonds. In Nederland, maar ook in Engeland en Schotland, waar de Britse medicijnengroothandel Unichem kort geleden met veel succes de gang naar de beurs maakte. De opkomst bij de OPG-presentaties was volgens De Bruijn steeds heel groot, ook van institutionele zijde. Maar: “Of ze erin stappen, blijft natuurlijk afwachten”.

De onderneming heeft 3,45 miljoen certificaten in omloop gebracht, tegen een uitgiftekoers van 30 gulden. Beleggers krijgen daarvoor alleen recht op dividend. Inspraak wordt hun onthouden, omdat OPG (ooit, iets minder dynamisch, de Onderlinge Pharmaceutische Groothandel) geen afstand wil doen van de coöperatieve organisatiestructuur. Het bedrijf wil de macht voor het grootste deel bij de leden-apothekers laten. In samenwerking met huisbankier ABN Amro en prof.mr. P.J. Dortmund, notaris te Dordrecht en buitengewoon hoogleraar aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen, heeft de OPG-leiding een beursmodel voor de coöperatie ontwikkeld dat na maanden onderhandelen door het Amsterdamse beursbestuur is geaccepteerd. Het beursbestuur had liever gezien dat aandeelhouders wèl zeggenschap hadden gekregen.

Wie De Bruijn vraagt naar de precieze werking van het model, krijgt in vijf minuten op dicteersnelheid een volledige uiteenzetting. Globaal komt het erop neer dat apothekers een deel (maximaal zo'n 30 procent) van hun inleggelden in OPG kunnen omzetten in participaties. Die participaties, niet rechtstreeks op de beurs verhandelbaar, moeten worden ondergebracht bij de Stichting Administratiekantoor OPG. Dit kantoor geeft vervolgens certificaten op deze participaties uit, die beleggers kunnen kopen. Het stemrecht op de gecertificeerde participaties blijft bij het administratiekantoor, dat tevens lid is van de coöperatie en op de ledenvergaderingen de belangen van de buitenstaanders zal behartigen, aldus De Bruijn.

De komende weken moet blijken of de beleggers vertrouwen hebben in deze constructie en in de toekomstplannen van OPG. Vandaag is de voorinschrijving geëindigd en vanaf half twaalf donderdagochtend beschikt OPG over een officiële beursnotering. “Dat is dan eindelijk het moment suprême”, zegt De Bruijn.

De OPG-bestuurder is niet de enige die benieuwd is naar de koersvorming. Ook ABN Amro, leider van het bankensyndicaat dat verder bestaat uit Rabo, Internationale Nederlanden Groep en de Nationale Investeringsbank, wacht vol spanning af. De bank heeft de laatste jaren geen gelukkige hand gehad met het naar de beurs brengen van bedrijven en kan wel een succesje gebruiken.

Een mislukte beursgang bezorgt ABN Amro niet alleen gezichtsverlies, maar ook een financiële strop. Als de bank er niet in slaagt om 2,65 miljoen stukken (Nationale-Nederlanden heeft al 800.000 certificaten in zijn bezit) tegen de introductiekoers te plaatsen, heeft ABN Amro zich verplicht het restant over te nemen. In dat geval kan de bank alleen maar hopen dat de beurskoers op peil blijft als ze de certificaten geleidelijk tracht te verkopen.

Voortekenen van beursgang OPG niet zo gunstig

De voortekenen van de beursgang van OPG zijn niet al te gunstig. Het klimaat op de effectenbeurs is op dit moment erg onzeker; beleggers zijn huiverig voor nieuwkomers op de beurs. Dat geldt zowel voor particulieren als voor de grote binnen- en buitenlandse institutionele beleggers.

“Ik heb niet de indruk dat er vanuit het buitenland veel belangstelling is voor OPG”, zegt M. Fleskens, analist bij Barclays. Volgens hem speelt daarbij een grote rol dat men buiten de Nederlandse grenzen nauwelijks bekend is met de coöperatieve organisatiestructuur. Certificering van aandelen is weliswaar een bekend Nederlands model, maar ervaring met een beursgenoteerde coöperatie ontbreekt op het Damrak volledig.

“Bij ons wordt er over dit fonds nauwelijks gepraat”, zegt een analist van de beleggingsfirma Theodor Gillissen. Omdat OPG steeds heeft laten weten extra eigen vermogen nodig te hebben om de expansie in het buitenland te financieren, hebben volgens de analist veel beleggers al snel een vergelijking getrokken met Medicopharma, de groothandel die eerder dit jaar aan zijn eigen grootheidswaan ten onder ging. “Men is bang dat ook OPG veel geld zal storten in een bodemloze buitenlandse put.”

De Bruijn knikt bevestigend op de vraag of hij begrijpt dat potentiële beleggers een link leggen tussen Medicopharma en OPG. Maar, zegt hij onmiddellijk, “wat Medicopharma is overkomen, had nooit mogen gebeuren”.

Het beursgenoteerde Medicopharma kocht de laatste jaren de ene na de andere onderneming in het buitenland, maar ging eerder dit jaar failliet omdat het er niet in was geslaagd greep op die nieuwe dochters te krijgen. OPG zag de capriolen van zijn concurrent met stijgende verbazing aan.

“Als wij praten over buitenlandse expansie, dan bedoelen we dat stapje voor stapje”, beklemtoont De Bruijn. Vreemde avonturen kan de leiding van OPG zich volgens hem helemaal niet permitteren. In tegenstelling tot Medicopharma zijn de aandeelhouders van OPG ook afnemers, hetgeen een nagenoeg permanente "controle' inhoudt. “Iedere dag hangen er apothekers en apotheekhoudende huisartsen aan de telefoon.”

Het voorzichtige beleid heeft de Utrechtse onderneming tot nu toe geen windeieren gelegd. OPG is in Nederland met een marktaandeel van 40 procent de grootste partij in medicijnendistributie. Bovendien is zij sinds kort de belangrijkste producent van generieke geneesmiddelen (medicijnen waarvan het patent is verstreken). OPG behaalde vorig jaar een omzet van 1,68 miljard gulden en een winst van 44,2 miljoen gulden, een stijging van respectievelijk 8 en 10 procent. Dit jaar rekent de onderneming op een winst van 50 miljoen gulden.

De markt voor geneesmiddelen groeit nog steeds, mede als gevolg van de vergrijzing van de bevolking en de introductie van nieuwe, verbeterde en duurdere medicijnen. De Bruijn zei onlangs te verwachten dat de Nederlandse markt jaarlijks met 8 à 10 procent zal blijven groeien. De Rabo-bank maakt in de recente publicatie "Cijfers en trends' een iets voorzichtiger schatting. Zij houdt het op een groei voor 1992 van 6,5 procent.

Vorig jaar kochten de Nederlandse apothekers en apotheekhoudende huisartsen voor 3,7 miljard gulden geneesmiddelen bij de groothandel. Daarvan ging bijna anderhalf miljard gulden naar OPG. De twee andere groothandels die met OPG de Nederlandse markt beheersen, ACF-dochter Brocacef en Internatio-Müller-dochter Interpharm, tekenden samen voor ruim 1,65 miljard. De resterende vijftien procent omzet komt voor rekening van een breed scala aan kleine, min of meer gespecialiseerde handelsondernemingen.

De Bruijn haalt die marktverdeling steeds aan als bewijs dat OPG gewend is te werken in een concurrerende omgeving. Anders dan bij de meeste coöperatievormen hebben de leden van OPG - ongeveer 87 procent van alle Nederlandse apothekers - geen afnameverplichting. Wel ligt het voor de hand dat zij allereerst zullen bestellen bij een onderneming waarin zij zelf een financieel belang hebben. De meeste apothekers kiezen er niettemin voor om met meer groothandels te werken, om risico's te spreiden. Ook is een aantal apothekers zelf actief in de handel (met zogeheten rugzakgroothandels) omdat ze hiermee hun marges kunnen vergroten.

De Nederlandse distributeurs van farmaceutica hebben de afgelopen jaren flinke winsten geboekt. Weliswaar behoort het geneesmiddelenverbruik in Nederland tot de laagste in Europa, maar de marges die de groothandels opstrijken zijn in vergelijking met het buitenland riant. ABN Amro schat dat de Nederlandse medicijnengroothandel 16,7 procent marge op zijn leveringen boekt (exclusief eventuele kortingen aan apothekers). In Duitsland is dat percentage 14,2, in Frankrijk 9,7.

Die marges dreigen de komende jaren steeds verder onder druk te komen. De Nederlandse regering is bezig met het terugdringen van de kosten voor gezondheidszorg en hoopt met maatregelen als het Geneesmiddelen Vergoedingensysteem ook de prijzen van medicijnen omlaag te brengen. Dit GVS beloont apothekers die patiënten goedkopere alternatieven voor de bekende geneesmiddelen verstrekken, zoals parallel geïmporteerde medicijnen (merkprodukten die in het buitenland voor een veel lagere prijs worden verkocht) of generieke geneesmiddelen. En lagere prijzen in de apotheek betekenen lagere marges voor de groothandels.

OPG heeft een schijnbaar eenvoudige oplossing gevonden voor deze ontwikkeling: de onderneming produceert nu zelf generieke geneesmiddelen. OPG beschikt over twee fabrieken, Pharmachemie in Haarlem en Pharbita in Zaandam (overgenomen van Medicopharma), die 50 procent van de Nederlandse markt voor generica in handen hebben. Vorig jaar besloeg de omzet van generieke medicijnen slechts 300 miljoen gulden, zo'n 10 procent van de totale geneesmiddelenverkoop. De Bond van generieke producenten (Bogin) rekent dit jaar al op 400 miljoen gulden omzet en volgend jaar zelfs op een half miljard. Dan is de grootste groei wel over, voorspellen analisten van ABN Amro.

OPG's eigen generica-fabrieken zetten in Nederland dit jaar naar verwachting voor 200 miljoen gulden om. Het bedrijf streeft naar forse groei van de omzetbijdrage uit generica, maar kan die niet alleen in Nederland behalen. “De generieke tak moet vooral groeien door buitenlandse expansie”, zegt De Bruijn. Een eerste stap is al gezet. In maart sloot OPG een contract met de Amerikaanse geneesmiddelenfabrikant Du Pont Merck voor de gezamenlijke ontwikkeling van generieke medicijnen en de internationale verkoop ervan.

Hoewel De Bruijn niet uitsluit dat OPG ook op eigen kracht in het buitenland zal groeien, probeert de onderneming in eerste instantie via samenwerkingsverbanden een positie te veroveren. “Je kunt die buitenlandse artsen niet zomaar overdonderen met je produkten.”

De expansiedrift beperkt zich niet tot generica. “De groothandel moet de komende jaren ook Europeser worden”, aldus De Bruijn. De onderneming werkt daarvoor sinds enkele jaren samen met de inmiddels beursgenoteerde Engelse groothandel UniChem, en het Duitse Sanacorp. Nu behaalt OPG nog 90 procent van zijn omzet op de relatief overzichtelijke Nederlandse markt. Met de eenwording van Europa en de uniformering van regelgeving voor farmaceutica lijkt niet te ontkomen aan de vorming van grotere, internationaal werkzame groothandelsbedrijven. OPG wil dat niet lijdzaam over zich heen laten komen, en denkt - met de inkomsten uit de beursgang - buitenlandse concurrenten een slag voor te kunnen zijn. De aanval is de beste verdediging, motiveert De Bruijn. “Het heeft geen zin om rustig af te wachten.”

Die expansie mag geleidelijk gaan, zoals de OPG-voorzitter belooft, zijn leden zullen vanaf donderdag toch worden geconfronteerd met een radicale breuk met het verleden. De veilige coöperatieve structuur, de gezellige jaarlijkse etentjes met collega's, de nestwarmte van de eigen club - de entree van buitenstaanders, slechts geïnteresseerd in rendement op korte termijn, zou daaraan weleens een abrupt einde kunnen maken.

De Bruijn betwijfelt dat. Het "gevoel' van het familiebedrijf laat zich heel wel verenigen met de zakelijke en pragmatische instelling die de apotheker als ondernemer ook heeft, meent hij. De apotheker begrijpt best, aldus De Bruijn, dat hij vanaf nu dezelfde informatie over de gang van zaken in de onderneming zal krijgen als een buitenstaander. Onderonsjes met het bestuur, telefonisch of na afloop van de jaarlijkse vergadering, moeten achterwege blijven. “Dat zullen ze soms best moeilijk vinden, maar zo werkt het nu eenmaal.”

    • Marcella Breedeveld