Allesbehalve Eurowaals

De term subsidiariteit zorgt voor veel verwarring. Voor een deel vloeit dit voort uit de typisch Brusselse klank. "Subsidiariteit' heeft veel weg van een esperantistische samenstelling waarin de woorden "subsidie' en "solidariteit' doorklinken. Toch is het niet zo moeilijk. Het principe van subsidiariteit houdt volgens de Europese Commissie in dat “beleidsmaatregelen van de Europese Gemeenschap een aanvulling moeten vormen op de initiatieven in het veld.” Allesbehalve Eurowaals dus, hoewel...wat is "het veld' en wat houdt "aanvulling' nu eigenlijk precies in?

Politiek geïnspireerd gebruik van begrippen is de grootste plaag van deze eeuw. De grote verscheidenheid aan interpretaties die de media teisteren vindt haar grond in de grote belangen die op het spel staan. Het gaat om een vraag die al veel eerder gesteld had moeten worden: wie krijgt het voor het zeggen in het Nieuwe Europa, de lidstaten, de Europese Commissie of - met wat hulp van de Commissie - uiteindelijk de regio's?

Houdt het beginsel van subsidiariteit bijvoorbeeld in dat de Europese Commmissie zich in haar voorstellen volledig laat leiden door regionale wensen of heeft zij zelf nog iets in de melk te brokkelen? En hoe zit het met de nationale overheden: verworden zij tot doorgeefluiken tussen machtige regio's en arrogante Eurocraten of slagen zij er ter elfde ure nog in het Joegoslavische spookbeeld "Europa van de Regio's' te stoppen?

De discussie over de positie van nationale overheden ten opzichte van Brussel en over de institutionele vormgeving van de EG moet hoognodig gevoerd worden. Dit geldt zeker voor Nederland, waar het bewustzijn ten aanzien van Europese Zaken nog steeds zeer gering is. De nationale verbazing over de recente BTW-verlaging (die simpelweg voortvloeide uit eerder gemaakte afspraken in Europees verband) is hiervoor illustratief. Het wordt hoog tijd dat ook in Nederland duidelijk wordt wat we nu eigenlijk wèl en wat per sé niet van de EG verwachten.

Een niet al te breed-maatschappelijke discussie zou kunnen helpen bij het maken van een afweging van de voor- en nadelen van de bekrachtiging van het Verdrag van Maastricht. Het voeren van een dergelijke heldere discussie vereist echter eenduidige begrippen en een consistente opstelling van de betrokken partijen. Hiertoe behoort het erkennen van het bestaan van onverenigbare doelstellingen: Maastricht dwingt Europa zo eigenlijk tot het kiezen tussen de diverse "walletjes'.

Voor een verstandige besluitvorming zijn een aantal dingen van belang. Allereerst moet duidelijk zijn waarover wordt gesproken. Wanneer termen als subsidiariteit of comptabiliteit hieraan afbreuk doen is het verstandig deze te vervangen. Vervolgens is het wezenlijk dat geen van de mogelijke opties vooraf wordt gediskwalificeerd (zoals menig zichzelf respecterend regeringsleider of staatshoofd recentelijk probeerde). Ook zal er zoveel mogelijk "open kaart' (de essentie van Europa?) moeten worden gespeeld: was het niet juist de Europese gedachte dat iedere deelnemer hierbij zou kunnen winnen?

Tenslotte dient gewaakt te worden voor de gevolgen van schizofreen handelende actoren. Vergaande samenwerking, solidariteit en tenslotte wellicht zelfs eenheid laten zich niet goed verenigen met een rationaliteit die bureaupolitiek eigenbelang voorop plaatst. Het feit dat de Commissie zich haastte tegelijkertijd met de introductie van het subsidiariteitsbeginsel haar recht tot het nemen van zogenaamde "communautaire initiatieven' veilig te stellen wijst in ieder geval op een tweeslachtige houding. De gretigheid waarmee regionale overheden te Brussel "representatieve vertegenwoordigingen' openen spreekt eveneens boekdelen.

    • Peter van der Knaap