Rivieren gedragen zich nu heel anders dan in verleden

Veiligheid is veel waard. Wie zich de ramp van 1 februari 1953 nog herinnert, zal dat bevestigen. Meer dan achttienhonderd doden waren er te betreuren, 150.000 ha land werd door zout water overspoeld en de materiële schade was immens. De dijken bleken te laag om het samenspannende geweld van de natuurkrachten te keren.

Niet voor iedereen kwam die ramp als een verrassing. Al in 1940 had de Stormvloedcommissie in een voorlopig verslag aangetoond dat eenmaal in de driehonderd jaar het water bij Hoek van Holland door een superstorm tot + 4 m NAP kon worden opgestuwd. De ramp van 1953 toonde de juistheid van die berekening aan: bij Hoek van Holland werd toen een hoogste waterstand van + 3.85 m NAP geregistreerd. Het had dus nog erger kunnen zijn.

Sinds 1940 zijn er plannen gemaakt voor het beteugelen van de zeegaten in Zuidwest-Nederland, onder andere door de Studiedienst Benedenrivieren. De hydrologische gesteldheid van het gebied was echter zo gecompliceerd dat de plannen een paar keer moesten worden bijgesteld. Het laatste ontwerp was gereed op 29 januari 1953: twee dagen voor de storm. De ramp werd daarmee niet voorkomen, maar overeenkomstig de grote lijnen van dit laatste ontwerp kon snel worden begonnen met de Deltawerken.

In de Deltawet is vastgelegd dat de zeedijken zo ver moeten worden opgehoogd dat zij nog waterkerend zijn bij een stormvloedstand die zich éénmaal in de tienduizend jaar kan voordoen. Die stormvloedstand wordt berekend op grond van waarnemingen uit het verleden en schattingen van veranderingen die sedertdien zijn opgetreden. De recente gegevens over de versnelde stijging van de algemene zeespiegelstand waren dan ook terecht voor Rijkswaterstaat aanleiding om te onderzoeken of de Nederlandse dijken in de 21ste eeuw nog kunnen voldoen aan deze Deltanorm. Maar nog steeds vormen de waarnemingen uit het verleden de grondslag voor het berekenen van de toekomstige stormvloedstanden.

Voor het Rivierengebied werden andere normen vastgelegd. Beneden Schoonhoven stelde de Deltewet voor de dijkverzwaring de veiligheidsnorm op 1:4000 en voor de rest van het Rivierengebied op 1:3000. De toepassing van deze veiligheidsnormen bij de verzwaring van de rivierdijken resulteerde echter in een ingrijpende aantasting van de landschappelijke schoonheid van het rivierengebied. Het onderzoek van de commissie-Becht (1975) wees uit dat het verantwoord leek om bij de verzwaring van de dijken langs de grote rivieren uit te gaan van een overstromingsfrequentie van 1:1250. Sedert 1978 wordt bij de dijkverzwaring in het rivierengebied uitgegaan van deze norm.

Met de vaststelling van de veiligheidsnorm is nog niet bepaald tot hoe ver een bepaalde dijk of dijkvak moet worden opgehoogd. Voor dat laatste is het nodig om te weten wat de tot nu toe bekende hoogste waterstanden zijn en onder welke omstandigheden die in het verleden zijn voorgekomen. Ook in het rivierengebied vormen waarnemingen uit het verleden de grondslag voor het berekenen van de toekomstige hoge waterstanden.

Op dit punt bestaat er echter een belangrijk verschil tussen de verzwaring van de dijken langs de kust en in het rivierengebied. De stroomgebieden van de Rijn en Maas zijn namelijk nogal ingewikkeld. Daardoor is een betrouwbare benadering van de verhouding tussen de neerslag in het stroomgebied en hoge waterstanden op de grote rivieren niet goed mogelijk. Daarbij komt dan nog de invloed van de mens. Langs de kust hebben menselijke ingrepen de werking van de natuurkrachten niet meer dan marginaal gecorrigeerd. In het rivierengebied is de menselijke invloed echter veel overheersender aanwezig. Met toenemend succes is de mens erin geslaagd de wilde kracht van de grote rivieren af te leiden en in te tomen.

Door het aanleggen van kribben, verwijderen van ondiepten, afsnijden van bochten en graven van nieuwe rivierlopen kan het water veel sneller uit de benedendelta weglopen dan twee of drie eeuwen geleden. Maar ook in Duitsland is het karakter van de Rijn de laatste decennia ingrijpend veranderd door kanalisatie, het droogleggen van moerassen en de sterke uitbreiding van de verstedelijking. Bovendien hebben we nu niet meer te rekenen met de situaties die in het verleden het gevaarlijkst zijn gebleken: het optreden van ijsdammen en langdurige opstuwing van het water in het zuidwestelijke kustgebied door aanhoudende westenwinden. Door de thermische en chemische vervuiling zal het rivierwater minder snel bevriezen. Ook zijn in het kader van de regulering overal de dode hoeken verwijderd zodat eventueel optredende ijsschotsen zich niet meer in de rivierloop kunnen vastzetten. Het optreden van ijsdammen in de grote rivieren is dus uit te sluiten.

Vóór de aanleg van de Deltawerken bestond er in het gebied van de benedenrivieren een gecompliceerde toestand: van verschillende kanten werkten de getijden in op de waterafvoer en de waterstanden. Bij langdurige westenwinden konden hoge waterstanden in het Deltagebied de afstroming van het rivierwater ernstig hinderen. In samenhang met een overmaat aan neerslag en een grote afvoer op de bovenrivieren konden daaruit gevaarlijke situaties ontstaan. In de negentiende en twintigste eeuw werd de waterafvoer echter belangrijk verbeterd.

Reeds in 1932 kon dr. A.A. Beekman in zijn bekende boek "Nederland als polderland' schrijven: “Het gevaar van dijkbreuken langs Maas, Waal en Oude Merwede is dus nu zoo goed als bezworen.”. Sedert de afsluiting van de zeegaten in Zuidwest-Nederland bestaat ook deze dreiging niet meer.

De Nederlandse rivieren dragen nog wel de oude namen, maar gedragen zich op het ogenblik heel anders dan vijftig of honderd jaar geleden. Waarnemingen uit het verleden zijn dan ook niet toereikend om vast te kunnen stellen tot hoe ver de dijken opgehoogd moeten worden om te kunnen voldoen aan een bepaalde veiligheidsnorm. Bij het berekenen van de toekomstige hoge waterstanden in het rivierengebied moet rekening worden gehouden met de door de mens veroorzaakte veranderingen. Dat is tot nu toe onvoldoende gebeurd. De vraag of Nederland voor de veiligheid van het rivierengebied aan landschap en natuur een te hoge prijs betaalt, is dus in feite niet aan de orde. Eerst moet worden vastgesteld waar in het rivierengebied de grens ligt tussen veiligheid en onveiligheid. Daarna pas kan worden beslist welke dijkverzwaring nodig is voor welke mate van veiligheid.

    • Guus J. Borger