Prognoses van minister Kok

Wat sneu voor de minister van financiën! Net had hij in interviews ter gelegenheid van Prinsjesdag het solide karakter van zijn derde begroting nog eens onderstreept, of de Algemene Beschouwingen vielen in het water omdat de cijfers zouden zijn achterhaald door tegenvallende economische ontwikkelingen.

Wèg het aureool van de degelijke schatkistbewaarder, wèg het plan, zijn PvdA te profileren als degelijk en betrouwbaar op financieel gebied. Professor Knoester, voorzitter van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde, beweerde in de Telegraaf: “de Tweede Kamer had net zo goed over de Miljoenennota van vorig jaar kunnen debatteren of over een Miljoenennota zonder cijfers”. CDA-intimus en WRR-voorzitter professor Rutten meende “dat de situatie op korte termijn tot ombuigingen in de uitgaven noopt, want als je wacht tot pak weg mei dan rest er niets anders dan de botte bijl”.

Voordat we nu voortaan iedere twee maanden de Gouden Koets laten uitrijden voor alweer een nieuwe Prinsjesdag, is het goed even te pauzeren bij de logica van deze aanbevelingen. Ahold, ING, Shell, de KLM en al die andere Nederlandse bedrijven die gevoelig zijn voor veranderingen in de wisselkoers van de dollar, zouden dan wel iedere week nieuwe plannen kunnen maken. Zo onverstandig zullen de managers van die ondernemingen wel niet zijn, want er zou geen tijd overblijven om nog te werken aan de kwaliteit/prijs-verhouding van de bestaande produkten of om plannen te maken voor de langere termijn.

Alleen bij heel belangrijk nieuws zullen grote bedrijven hun planningscyclus onderbreken en desnoods op heel korte termijn de bakens verzetten. Zijn nu de recentste prognoses voor de economie zo verschillend van de inzichten in juli dat we Knoester moeten volgen en alle cijfers uit de Miljoenennota uitstuffen? Dat lijkt mij schromelijk overdreven. In de allereerste zin van de Macro-economische Verkenning schrijft minister Andriessen: “de internationale conjunctuur herstelt zich slechts aarzelend”. Het Planbureau had zich dan ook niet rijk gerekend aan krachtige economische groei voor volgend jaar en alle bijstellingen van de laatste weken maken dat beeld weliswaar pregnanter, maar niet wezenlijk anders. De OESO heeft de voorspelling van de economische groei in Nederland voor 1993 verlaagd van 2,3 procent tot 1,25 procent, maar als we dit laatste cijfer nu even als zeker beschouwen, dan is de correctie in de eerdere voorspelling nog een stuk kleiner dan de normale foutenmarge van dit soort voorspellingen. Onderzoek van J.L. van der Leeuw over 20 jaar toonde aan dat de voorspellingen niet beter of slechter zouden zijn wanneer het Planbureau simpelweg ieder jaar hetzelfde cijfer had ingevuld - namelijk de gemiddelde economische groei over de naoorlogse periode - en aangezien directeur Zalm met 2,1 procent al een lager-dan-gemiddeld cijfer had ingevuld, zie ik niet goed wat nu de reden is van alle opwinding bij Knoester, Rutten en bepaalde Haagse politici, of het zou moeten zijn dat zij minister Kok zijn degelijke imago niet gunnen. De waarde van economische voorspellingen in de Macro-economische Verkenning is heel beperkt, vandaar dat Knoester in 1987 schreef in het boek "Lessen uit het verleden': “het met enige precisie voorspellen van toekomstige economische ontwikkelingen is inderdaad vrijwel onbegonnen werk”. En even verder: “het is niet voor niets dat vooral de politiek zich steeds met een zekere wellust op de nieuwste cijfers stort. Het doet echter nogal hypocriet aan...”

Rutten argumenteerde in NRC Handelsblad van 7 januari 1989 tegen het continu bijstellen van overheidsbeleid op basis van de laatste cijfers: “maar u weet dat we af zijn van fine tuning, het bijsturen van elk procentje”. Nu denkt hij er anders over en pleit voor een ingreep in de begroting voor 1993 tot een bedrag van drie à vier miljard gulden, zonder in te gaan op de kosten in termen van vergadertijd, onzekerheid op de ministeries, ergernis tussen ministers, vluchtgedrag, en vooral: minder tijd voor verbetering van het bestaande beleid. Ministers in Nederland vergaderen toch al drie of vier keer zo lang als in Duitsland, Frankrijk of Engeland, en waarom moeten ze nu de Rijksbegroting 1993 opnieuw gaan maken om der wille van wat Rutten ooit “een procentje” noemde?

Belangrijker dan de mijns inziens politiek gemotiveerde opwinding over de nieuwste voorspellingen is natuurlijk de vraag hoe zorgvuldig minister Kok is met de cijfers waarvoor hij dan wèl verantwoordelijkheid draagt, namelijk de prognoses voor de uitgaven van het rijk. Een definitief oordeel is pas mogelijk na afsluiting van de kabinetsperiode, maar tot nog toe ziet het er niet slecht uit. De eerste Miljoenennota die onder verantwoordelijkheid van minister Kok verscheen was die van september 1990 voor het Kalenderjaar 1991. Kok begrootte totale uitgaven van 195,4 miljard; het werd 199,2 miljard. De fout was kleiner dan in alle vier jaren van het Kabinet Lubbers II, toen dr. Ruding minister van financiën was. Voor het lopende jaar 1992 voorspelde Kok in zijn eerste Miljoenennota - dus vijftien maanden voor het begin van het lopende begrotingsjaar - een totaal van 203.5 miljard. We lijken nu af te stevenen op 203.7 miljard, een minuscule bijstelling die drie keer zo klein is als de beste overeenkomstige prestatie tijdens Lubbers II. Zelfs de cijfers voor 1993 uit de eerste Miljoenennota van Kok zijn, hoewel al weer twee jaar oud, nog steeds bruikbaar, wat niet gezegd kan worden van de meerjaren voorspellingen van het vorige kabinet. Toen had bijvoorbeeld minister Ruding zich rijk gerekend door al in 1986 te voorspellen dat de rente op de Nederlandse staatsschuld zou dalen tot 3.5 procent in 1990. In feite was de rente in dat jaar 8.75 procent, met als resultaat een onnodige miljardenfout in de raming van de rentelast.

Kritiek is wel mogelijk op Planbureau en kabinet voor een heel andere voorspelfout in de Macro-economische Verkenning die volkomen overbodig is en makkelijk kan worden vermeden. Zowel vorig jaar als nu hanteert het Planbureau een onrealistische ingangsdatum voor de nieuwe wetgeving met betrekking tot de WAO. Op last van het kabinet moest directeur professor Zalm in september 1991 rekenen alsof het nieuwe WAO-systeem met bevroren en lagere uitkeringen zou ingaan in 1992 en is hij nu gedwongen om te rekenen met de veronderstelling dat de WAO-schande ingaat op 1 januari 1993, hoewel het parlement nog aan de behandeling van de wet moet beginnen. Een hypothetische besparing van in totaal 4,2 miljard moet worden ingeboekt op een datum die nergens op slaat. Het Planbureau zou de vrijheid moeten hebben om onafhankelijk te schatten wanneer wetgeving in werking kan treden, en wanneer dat bij de huidige hiërarische verhoudingen binnen de rijksoverheid niet mogelijk is, ligt daar een uitstekende reden om het Planbureau eindelijk te bevrijden van politieke beïnvloeding en een onafhankelijke status te geven, zoals de Rekenkamer.

Na een eerdere - onverdiende - aanval in 1991 van De Nederlandsche Bank op de financiële soliditeit van minister Kok, hebben nu Koester, Rutten en een aantal politici twijfel gezaaid aan de degelijkheid van de Miljoenennota. De cijfers laten echter zien dat, alle drukte ten spijt, een bijstelling in de economische groei van minder dan één procent ruim ligt binnen de gebruikelijke foutenmarge, en bovendien dat tot dusver de prognoses van minister Kok beter spoorden met de realiteit dan die van zijn voorganger.