President Boris Jeltsin telt reeds de koppen

Alle lijnen beginnen samen te komen. De Russische politiek keert als een parallellogram terug naar af. De meest geliefde voorstelling van zaken is dat we te maken hebben met een machtsstrijd tussen democratie en nationaal-communisme, tussen vooruitgang en reactie, tussen president en parlement. Het ancien regime zou in dat beeld uit zijn op "revanche', zoals minister van buitenlandse zaken Andrej Kozyrev en diens geestverwanten Michail Poltoranin, Gennadi Boerboelis en Anatoli Tsjoebais het met de regelmaat van de klok formuleren. Hun "westerse' vleugel in de regering heeft daarom nu een totaal offensief ingezet.

De toestand is echter gecompliceerder. De drijvende idee achter de regressieve tendensen is veeleer psychologisch van aard. Vice-president Aleksandr Roetskoj heeft dat sentiment vorige week treffend verwoord. Het is gewoonweg een grof schandaal dat het grootste, en in eigen ogen ook rijkste, land ter wereld zich nu door de hele wereld moet laat ringeloren omdat er “één grote politieke en economische vuilnisbelt” van is gemaakt.

Rondom dat idee verzamelen zich nu alle strijders, van gematigd tot extreem: de patriotten, de militairen, de bestuurders van de oude kliek die bijna overal nog rustig te paard zitten, de staatsondernemers en de geheime agenten van weleer. Allen hebben uiteraard verschillende belangen en hanteren ook verschillende vormen van expressie. Maar ze vinden elkaar in de gedachte dat Rusland nú "gered' moet worden.

De patriotten kunnen zich beroepen op de noodzaak om de mensenrechten van de Russen in het nieuwe buitenland (de Baltische republieken, Tadzjikistan, Moldavië enzovoort) te beschermen tegen al die vroeg-twintigste eeuwse aanslagen die de lokale nationalisten in petto hebben. Bovendien voelen zij zich voorwaarts gedreven door de radicale nationalisten in Rusland zelf, die zich onder de vlag van een "rood-bruine coalitie' steeds brutaler durven te manifesteren en zo een klimaat van chaos bevestigen. Dat bondgenootschap van openlijke stalinisten en fascisten is in zekere zin een randverschijnsel dat met al die portretten van Stalin en antisemitische soms voor imponerende televisiebeelden zorgt. Deze coalitie speelt niettemin wel een rolletje, niet zozeer door haar eigen kracht maar door het feit dat er aan de andere zijde van het spectrum (de kiesvereniging Democratisch Rusland) thans een gapende leegte resteert dat geen tegenwicht biedt.

De legertop weet zich geruggesteund door al die soldaten die in datzelfde nieuwe buitenland als haringen in een ton zitten omdat er thuis voor hen geen droog brood is te verdienen en geen dak boven het hoofd te vinden. Een ondragelijke idee, al was het maar omdat de krijgsmacht in Rusland over een ongeschonden prestige beschikt. Vandaar dat het ministerie van defensie het zich nu kan permitteren simpele mededelingen rond te strooien als dat de Russische troepen niet op de afgesproken datum uit de Baltische landen zullen kunnen vertrekken.

De door het communisme getekende bestuurders en bureaucraten kunnen zich erop beroepen dat er zonder hen geen postzegel recht op een brief geplakt wordt. Want wat hebben de nieuwe democraten tot nu toe gepresteerd? Niets behalve woorden, veel mooie woorden. De democraten zijn, kortom, anderhalf jaar ná hun overwinning tijdens de misluke staatsgreep van de oude garde, nog altijd in "oppositie tegen zichzelf'. Niet voor niets heeft een der aarstvaders van de democraten, ex-burgemeester Gavril Popov van Moskou, afgelopen weekeinde opgeroepen tot presidentieel bestuur en een tijdelijke uitschakeling van de democratie.

De staatsondernemers hebben het ook makkelijk. De produktiecijfers (variërend tussen min vijftien en min dertig procent) en de dreigende werkloosheid (volgens de Internationale Arbeidsorganisatie in Genève aan het einde van het jaar ongeveer tien miljoen, tegen de vijftien procent van de beroepsbevolking) verdragen geen nuances meer. De vakbonden hebben zich al met hun leider captain of industry Arkadi Volski verbonden. Zelfs de mafia, zoals de georganiseerde Al Capone-achtige jongens worden genoemd die nu goud geld maken, staat niet meer op de bres voor de democratie omdat een actuele vorm van despotisme hun wellicht beter uitkomt. Semi-politicus Konstantin Borovoj, tevens president van de beurs van Moskou, vertolkte de gevoelens onlangs treffend door van zijn ultra-liberale positie ineens naar ex-president Michail Gorbatsjov en diens geestverwant Volski te zwenken.

En, het allerbelangrijkste, hun doel is eveneens min of meer op hetzelfde gericht: terugkeer naar een geleide economie met vaste dollarkoersen, kortom, een vorm van staatskapitalisme. Met de nadruk op het woord "staat' waarvoor je in Rusland altijd veel handen op elkaar kon en kan krijgen. De KGB mag daarom weer lustig op de achtergrond opereren. De dienst heeft haar haren verloren (ze heet nu MBR) maar niet al haar streken. Vorige week werden twee wetenschappers gearresteerd die een maand geleden in het weekblad Moskou Nieuws hadden onthuld dat er in Rusland, in strijd met de internationale verdragen, nog steeds een geheim programma voor chemische wapens loopt.

Alle partijen weten bovenal dat hét volk het allemaal koud zal laten. Gelaten wacht de straat op wat gaat komen. Als er maar een einde wordt gemaakt aan de inflatie, de criminaliteit en het bloedvergieten.

Dit zijn de min of meer objectieve factoren waarin de huidige politieke crisis zich afspeelt. De vorm waarin die zich in Rusland zal uitkristalliseren, is echter minder helder. We hebben meer te maken met een diep ingekaderde strijdcultuur binnen de elite dan met de ratio van een burgerlijke samenleving. Dat is een bewuste keuze geweest. Althans van president Boris Jeltsin die eind vorig jaar, naar eigen zeggen, heeft besloten dat er geen democratische "revolutie' moest worden ontketend en dus expliciet dacht te kunnen voortgaan op het interne hervormingspad dat onder Gorbatsjov in Jeltsins ogen juist was doodgelopen.

Maar de consequentie daarvan is nu dat er zelfs niet een aanzetje is voor een politieke infrastructuur die een begin van democratische discipline zou kunnen stimuleren. In zekere zin wordt er momenteel nog steeds bolsjewistische politiek bedreven zoals ten tijde van de Sovjet-Unie. In de Russische politieke cultuur zijn daarom de volgende gedragsuitingen essentieel: de effectiviteit der afschrikking en de intrinsieke traagheid van het interne compromis in de oligarchie die het land altijd heeft geregeerd.

De geur van bloed is zo belangrijk in het Russische politieke bedrijf omdat het duidt op zwakte. Doe je in Rusland een concessie dan werkt dat niet temperend maar juist uitdagend. Een burgerlijke politicus gunt een tegenstander op z'n tijd een pluim. Een Russische politicus daarentegen dient zijn vijanden, conform de leninistische tradities, na een succes nog verder in de modder te duwen omdat de juiste lijn uiteindelijk wel moet zegevieren. Want een juiste politiek is altijd verbonden met personen. Ideeën zijn er om te ruilen. Dat parlementsvoorzitter en kwelgeest Roeslan Chasboelatov sinds vorige week met hoge bloedruk te bed ligt - nadat hij kort daarvoor had opgeroepen tot de vorming van "volks controle-comité's' die de strijd moeten gaan aanbinden met de bureaucratie en de corruptie - wordt door zijn tegenstanders dan ook al overwininning gezien.

Maar dat leidt, merkwaardig genoeg, niet tot slagvaardigheid. Dat nu heeft ook te maken met hetzelfde klassieke leninisme. In de leiderschapscultus, die sinds de overwinning van Jeltsin staande op die tank veertien maanden geleden een nieuwe impuls heeft gekregen, draait alles namelijk om die ene man in wie de staat zich symboliseert. Dat is in zekere zin een mythe. Want de leider bestaat in Rusland toch vooral bij de gratie van het krediet dat de oligarchie hem wenst te geven. Die dubbelzinnige cultuur manifesteert zich de afgelopen dagen bij uitstek. Iedereen spreekt dat het een lieve lust is, suggereert daarbij namens hem te spreken maar verbindt er verder geen consequenties aan. Gaidar zegt in autostad Togliatti aan de Volga dat de president zijn kabinet "voor vandaag' nog steunt. Vice-premier Sjochin roept op tot een referendum over de grondwet en de privatisering van de grond (een poging om het volk, dat Jeltsin indertijd zo overweldigend steunde, nog één keertje te mobiliseren) maar kondigt niet aan dat er morgen wordt begonnen met het ophalen van de daarvoor noodzakelijke één miljoen handtekeningen.

Zijn collega Poltoranin komt in een regeringsdatsja met medestanders bijeen om terwille van de “voortgang van de revolutionaire hervormingen radicale maatregelen” te bespreken. Minister van defensie Pavel Gratsjov verklaart zich openlijk "trouw' aan Jeltsin in diens strijd met het parlement. En anonieme bronnen vliegeren daar dwars doorheen met een rijk scala aan scenario's, variërend van het uitroepen van de noodtoestand tot de vervanging van Gaidar door Jeltsin's vriend Joeri Skokov, de secretaris van de Veiligheidsraad die in die hoedanigheid op het knooppunt van alle informatiekanalen zit.

Dat zijn allemaal danspasjes om de leider te imponeren. Dat Jeltsin het parlement wil kraken, lijkt immers voor de hand te liggen. Dat wil iedereen behalve Chasboelatov en diens volksvertegenwoordigers. Ook de groep rondom Kozyrev is op die wraak belust. De vraag is alleen hoe en met wie? Daarover gaat nu de strijd binnen de politieke elite. Wie het oor heeft van de president kan tenslotte de middelen bepalen.

Zelf heeft Jeltsin zich tot nu toe dus nog nergens voor uitgesproken. Jeltsin is nu dus koppen aan het tellen. Welke fractie kan hem door de winter slepen en welke kan hem juist uitschakelen? De cruciale afweging daarbij is of er een coalitie te sluiten is tussen de antiparlementaire "westerlingen' rond Boerboelis en het antiparlementaire anti-Westerse repressieve apparaat.

Met economische hervormingen heeft dat weinig te maken, met politieke vernieuwing nog minder en met democratie helemaal niets. Met macht daarentegen des te meer.

    • Hubert Smeets