Meer dan 1.000 veteranen herdenken slag El-Alamein

El-ALAMEIN, 26 OKT. De artilleriegranaten die op 23 oktober 1942 om 22 uur precies op de Duitse en Italiaanse linies in El-Alamein beukten, sloegen de eerste bressen in de muren van Hitlers duizendjarige rijk.

Duizend kanonnen openden het vuur op het nauwelijks zeventig kilometer lange en enkele kilometers diepe front tussen de Middellandse Zee en El-Raysat. “Ik hoorde het gebrul van de artillerie”, zegt de nu 80-jarige Joe Harari, de president van de piepkleine joodse gemeenschap in de Egyptische havenstad Alexandrië, in de plaatselijke synagoge. “Alle joden waren gevlucht, maar ik bleef. Ik vertrouwde op God en god zij dank is mijn vertrouwen in Hem in de slag van El-Alamein niet beschaamd.”

Tien dagen na het zware openingssalvo trok "de schrik van Afrika', het tot dan ongenaakbare Afrika-korps van veldmaarschalk Erwin Rommel, zich zwaargehavend terug, achtervolgd door de geallieerden. De Duitse bedreiging van het Suezkanaal was tenietgedaan. De joden in Palestina, die toen al op de hoogte waren van de systematische uitroeiing van het Europese jodendom, haalden opgelucht adem. De Britten hadden de half miljoen joden in Palestina gewaarschuwd dat zij hun mandaatgebied niet tegen de nazi's zouden verdedigen, maar zich op Irak zouden terugtrekken. “De joodse verdedigingsorganisaties in Palestina hadden met Rommels Afrika-korps in Noord-Afrika in het offensief al plannen gemaakt zich op de Carmel-berg bij Haifa tot de dood te verdedigen, zoals 2000 jaar eerder de joodse opstandelingen tegen de Romeinen op Massada hadden gedaan.”

In de titanenstrijd tussen twee grote legers die maandenlang in El-Alamein tegenover elkaar lagen, sneuvelden ongeveer 25.000 soldaten. De “verschrikkelijke nacht” van 23 oktober 1942 zal de Britse reserve-kolonel Claude Moir nooit vergeten. Hij is een van de meer dan duizend oorlogsveteranen die gisteren naar El-Alamein waren gekomen om de 50ste verjaardag van deze historische woestijnslag te gedenken.

De herdenkingsceremonie bij het robuuste monument voor de Duitse gevallenen stond in het teken van verzoening en van de eenheidsgedachte die de “vijanden van toen” nu in Europa zo nadrukkelijk willen onderschrijven. In aanwezigheid van de Britse premier John Major, de Franse premier Pierre Bérégovoy en de Griekse premier Konstantin Mitsotakis werden kransen gelegd.

Geestelijken gingen voor in het gebed en de band van de Negende Duitse Parachutisten-divisie speelde religieuze muziek. Opgesteld achter de vaandels van hun regimenten, alle onderscheidingen in een veelheid van kleuren op hun uniformen geprikt, herdachten de veteranen de gevallen kameraden. Toen alle ceremoniën achter de rug waren, dwaalden zij tussen de duizenden grafstenen. De Britten verspreidden zich over hun immense begraafplaats; de Duitsers verdrongen zich in hun monument dat tevens een massagraf is.

Pag.10: In El-Alamein herdenkt iedereen zijn doden apart

“Ik heb al 60 graven van soldaten van mijn bataljon gefotografeerd”, zei Claude Moir, die in 1942 als 24-jarige luitenant bij het vijfde bataljon van de Black Watch diende. “Tijdens die verschrikkelijke nacht op 23 oktober liepen we achter een langzaam opschuivend gordijn van op de Duitse en Italiaanse linies inslaande artilleriegranaten. Vijftig passen in drie minuten. We moesten dit tempo precies aanhouden om de vijand in zijn stellingen te kunnen overrompelen. Onze opmars door de zware Duitse en Italiaanse verdedigingslinies was het begin van de ommekeer van de oorlog. Dat begrepen we toen al.”

John Lawson, een soldaat van de 51ste Schotse Highland-divisie, liep eveneens met zijn camera langs de rijen grafstenen in de woestijn. “Ik voelde het als mijn plicht naar El-Alamein te komen. Ik heb vijftig jaar leven gehad, dat zij (de gevallenen) hebben gemist”, zei hij. “Het is een wonder dat ik nog leef. In 1940 ontsnapte ik uit Duinkerken, ik streed hier, daarna in Sicilië en in 1944 nam ik deel aan de invasie van Normandië. In 1945 stond mijn regiment voor Dachau, waar we de verschrikkingen van de jodenvervolging hebben gezien en begrepen. De wereld zou er misschien anders hebben uitgezien als we Rommel in El-Alamein niet tot de terugtocht zouden hebben gedwongen.”

Dat gevoel heeft ook de 80-jarige Griek Konstantinos Kanakis, die in El-Alamein als luitenant in het Achtste Britse Leger diende. “Ik heb in El-Alamein geleerd dat wie voor de vrijheid vecht uiteindelijk zal zegevieren.” Konstantinos Kanakis heeft al vijftigmaal de graven van zijn vijf gevallen kameraden in El-Alamein bezocht. “Dan steek ik kaarsen aan bij de grafstenen. Dat heb ik gezworen en die eed kom ik na.”

Hij en anderen vertellen dat de bijzondere omstandigheden waaronder in de woestijn door alle soldaten werd gestreden tot een strikte inachtneming van de militaire erecode had geleid. Gewonden en gevangenen werden door beide partijen opvallend goed en correct behandeld.

Van die bijzondere sfeer van toen viel tijdens de herdenkingsplechtigheden gisteren echter bitter weinig te bespeuren. Voor zover ik in El-Alamein heb kunnen waarnemen was er van vriendschappelijke vermenging van de veteranen geen sprake. De Duitsers herdachten hun doden alleen, de Britten deden hetzelfde op hun begraafplaats en de kleine Israelische afvaardiging boycotte de grote officiële ceremonie bij het Duitse monument. Drie Israelische reserve-generaals hielden hun herdenking bij het graf van een van de twaalf joden uit Palestina die in dienst van de Britten waren gevallen. De (joodse) Britse minister van defensie, Malcolm Rifkind, woonde op de Britse begraafplaats de Israelische ceremonie bij en zong met de Israelische delegatie het volkslied, Hatikwah (de hoop). Duitse veteranen lieten zich niet bij de Britse plechtige herdenkingsceremonie zien en de Britten waren ook niet bij de Duitsers van de partij.

De slag om El-Alamein werd een halve eeuw geleden gestreden, de Europese eenheidsgedachte bedekt de wonden van toen, maar dat gaat niet op voor de veteranen van het Afrika-korps met wie ik in Alexandrië sprak. “Ik heb echt niet het gevoel dat we de slag bij El-Alamein hebben verloren”, verklaarde de 69-jarige Heinrich Könich van de Vijftiende Pantser-divisie. “De Engelsen probeerden door onze linies te breken, maar dat is ze niet gelukt!” In zijn blauwe ogen schitterde trotse opwinding. “Maar dat is toch onzin, Heinrich”, mengde zijn vrouw zich in het gesprek. “Jullie hebben toch grondgebied moeten opgeven. Dat is toch verliezen, nicht?” “Nein”, hield Heinrich koppig vol. “We hebben een materieel-nederlaag geleden, geen menselijke nederlaag.” “De Engelsen hadden een overmacht aan manschappen, kanonnen en vliegtuigen. Wij hadden enorme bevoorradingsmoeilijkheden. Daarom ... begrijpt u?” “Oorlog is geen goede zaak. Dat heb ik wel geleerd. Maar toen ik als 19-jarige jongen vrijwilig dienst nam, geloofde ik in Hitler. Hij had toch alleen maar goed voor Duitsland gedaan. Als Duitser beschouwde ik het als mijn plicht voor mijn land te strijden. Ik heb dat als Duitser gedaan, niet als nazi.”

Langzaam maar zeker kreeg het gesprek met Heinrich Könich sterk anti-Amerikaanse en anti-Britse accenten. “Toen ik in Tunis ten slotte krijgsgevangen werd gemaakt ben ik via Engeland naar de Verenigde Staten overgebracht. Tot 1946 heb ik daar in Oklahoma in de Amerikaanse katoenvelden slavenarbeid gedaan.” Een 83-jarige oud-strijder van het Afrika-korps mengde zich nogal hooghartig in het gesprek. Zijn naam wilde hij niet geven, maar met een vuurrood hoofd van opwinding ontkende hij dat Hitler-Duitsland alléén misdaden kunnen worden aangerekend. “Duitsland is altijd het zwarte schaap, over de misdaden van de Amerikanen in Vietnam en van de Fransen in Algerije spreekt geen hond”, zei hij. Met de slag van El-Alamein had het gesprek nu niets meer te maken. Het kwam te gaan over de Europese uitbuiting van de sterke Duitse mark, over de manier waarop Engeland de hoge Duitse rentestand als alibi voor zijn economische moeiljkheden heeft opgeroepen, over de haat en minachting die de Europeanen de Duitsers toedragen. “Ook jullie Hollanders mogen ons niet”, aldus een van de Duitse vrouwen. “Dat weet ik uit ervaring.”

Andere taal spraken jonge soldaten van de Bundeswehr die zich bij het Duitse oorlogsmonument voorbereidden op de grote ceremoniële plechtigheid van gisteren. “Die ceremonie verplicht ons ons te bezinnen op wat vijftig jaar geleden is gebeurd. Daaruit moeten wij inspiratie putten om het nooit meer te laten gebeuren”, aldus luitenant Bern Reinberger van de parachutisten-divisie. “We zouden trots op veldmaarschalk Rommel zijn geweest als hij voor een goede zaak had gestreden.”

De veteranen van de geallieerde strijdkrachten spraken in El-Alamein met respect over deze Duitse veldmaarschalk. Ze erkenden dat hij een groot strateeg was en wegens de geografie en te lange aanvoerlijnen in de barre woestijn ten onder is gegaan waar hij eerder zulke Blitzkrieg-overwinningen op de geallieerden had geboekt. In El-Alamein ontstond een stellingenoorlog, die het verrassingselement van Rommels strijdkrachten, de Mark-IV tank, vrijwel volledig neutraliseerde. De mijnenvelden waren te diep, het geallieerde anti-tankgeschut te goed en de terreinomstandigheden te slecht om, zoals Rommel altijd deed, zijn vijand in de tanktang te nemen. Ondanks verwoede pogingen slaagde Rommels elitekorps er niet in bij El-Alamein door te breken, waarna het front zich stabiliseerde.

Uiteindelijk gaf het gewicht van de geallieerde overmacht de doorslag. Tegenover 220.000 geallieerde soldaten stonden 108.000 soldaten van de As-mogendheden. In kwantiteit waren de geallieerde troepen superieur. Maar de kwaliteit van de Duitse tanks en het Duitse geschut, herinneren de veteranen zich, was verbluffend goed. “De Duitsers vochten als leeuwen. Na tien dagen konden ze niet meer”, vertelden ze. “Toen we Duitse soldaten krijgsgevangen maakten bleek dat ze dagen niet hadden gegeten en gedronken. Water, water, was de schreeuw van de Duitse nederlaag in de woestijn van El-Alamein.”