Lenin-beelden te koop in Parijs; Crisis kunstmarkt beheerst Franse galeriebeurs Fiac

PARIJS, 26 OKT. De negentiende Franse galeriebeurs Fiac (Foire Internationale d'Art Contemporain), die zaterdag opende in Parijs, staat in het teken van de crisis op de kunstmarkt.

Fiac, t/m 1/11 in het Grand Palais te Parijs. Dag. 10.00-19.30u, do tot 23u. Catalogus: 200 Franse francs.

De grote Franse kranten kwamen de vrijdag voor de opening met interviews waarin Parijse galeriehouders hun zorg uitspreken over de stagnerende verkoop van hedendaagse kunst. Daniël Templon van de gelijknamige galerie vlakbij het Centre Pompidou spreekt in Le Figaro van een “vicieuze cirkel”: vanwege de gekelderde prijzen houden galeriehouders de werken in stock vast, hoewel ze eigenlijk geld nodig hebben om aan hun verplichtingen te voldoen: “Vandaag de dag hebben alle grote galeries, waar ook ter wereld, schulden”, aldus Templon die veel van zijn klassieke modernen brengt op de beurs in het Grand Palais. Libération meldt dat Franse musea niet op deze nationale beurs kopen, terwijl volgens Art Press ook Franse bedrijven voorzichtiger zouden zijn met aankopen. De gevolgen van het uit de Verenigde Staten overgewaaide tanende vertrouwen in kunst als investering werden voor het eerst voelbaar op de Fiac van 1990. Terwijl 1989 een topjaar was met een omzet van 400 miljoen Franse francs (ongeveer 133 miljoen gulden), viel de verkoop vorig jaar terug tot de helft daarvan.

Dit jaar zijn er tien Amerikaanse galeries naar Parijs gekomen, terwijl dat enkele jaren daarvoor nog een veelvoud daarvan was. Marian Goodman en Paula Cooper nemen nu voor het eerst deel, terwijl Holly Solomon al voor de achtste maal komt. Solomons stand is een van de opvallendste in het Grand Palais; zij liet de oorspronkelijke houten fabrieksachtige vloer onbedekt en hing op de roodbruin 'gewassen' wanden haar overwegend Amerikaanse kunstenaars, onder wie William Wegman en Afrikanen. Spectaculair is de presentatie van galerie Beaubourg die Russische beelden, reliëfs en medailles van Lenin exposeert; alle zijn weggehaald tijdens de glasnost. De namen van de oorspronkelijke kunstenaars zijn bekend - of het geld ook werkelijk bij hen terechtkomt, is echter de vraag.

De meeste galeries, zowel de 76 Franse als de zestien Duitse en de 25 Italiaanse (Italië is als gastland extra goed vertegenwoordigd) brengen veelal representanten van de historische avant-garde. Gmurzynska uit Keulen houdt een expositie van vroege schilderijen en tekeningen van Malevitsj, stadsgenoot Michael Werner heeft een prachtige collectie beelden van Wilhelm Lehmbruch en de Italianen brengen opvallend veel futuristen (Balla, Carrà). Wat de hedendaagse kunst betreft is bij hen vooral de arte povera favoriet: Paolini en Spaletti. Nederlandse galeries zijn er dit jaar niet onder de 162 stands - de kosten van deze beurs zijn zeer hoog en de wachtlijst is, nog steeds, lang. Wel is er een solotentoonstelling van Constant (bij Gervis uit Parijs) en hangt de stand van Toselli (Milaan) vol met de hyper-realistische schilderijen van de Tsjechische kunstenaar Jan Knap. Japanse galeries ontbreken onder de veertien vertegenwoordigde landen, uit Korea is nu voor het eerst een galerie voor moderne kunst aanwezig. Verrassingen moet men op de negentiende Fiac niet verwachten, of het zouden de naaktschilderijen van Thomas Schütte moeten zijn die bij Nelson (Lyon) worden getoond. Wie een vroeg werkje van Man Ray of Duchamp zoekt, kan echter tot en met dit weekeinde uitstekend terecht in Parijs.