Engelsmanplaat

Een dag in oktober, zo'n dag uit het gesticht, die met zijn kop tegen de muur staat te rammen.

Regen, bui na bui na bui, de ene nauwelijks voorbij, de volgende op komst. Telkens weer breidt zich op de horizon een giftig blauwe kneuzing uit. Blauwer kan het niet, en dan: nog blauwer. Woester kan het niet, en dan: nog woester. Het hele noorden neemt het in, het westen ook.

Schitterend en tevergeefs: het oplichten van een scherfje wit, de schuimende branding boven Het Rif, of nog scherviger, de vleugel van een zilvermeeuw.

En ram, regen.

Met rukwinden die een bestemming zoeken voor hun kou. Hagelstenen, rollend over de aarde. Een bliksemflits, slingerend in een uithoek.

Dat is het dan en verder vrijwel niets. De plaat staat blank en eromheen stond alles toch al blank en dááromheen is alles uitgeveegd.

Aan het eind, zo goed als buiten onze wereld, wachten donkere schepen, twee tjalken en een sk^utsje, vaag en uitgebeend, alleen nog maar het liggende van de boeg, het staande van de mast. En in die richting loopt, één potloodstreep, een man met stip, een hond.

Dit was zaterdag, of in de vorige eeuw, of een schets uit de dagen van Rembrandt.