Dublin

Een van de populairste pubs in Dublin is O'Donoghue's in Sandwith Street, een donkerbruine tent waar plaatselijk bekende muzikanten komen. De pub is lang en smal, met muren vol oude prenten en voorin een soort postbox, want diverse klanten hebben er hun tweede, zo niet eerste huis. “Geen toegang voor personen met rugzakken”, is een doorlopende practical joke. Zulke lieden willen blijven.

Het is in de gemiddelde Ierse pub niet zo dat de muziek besteld is en de muzikanten vanaf het afgesproken uur landerig gaan zitten spelen. Nee, ze komen of ze komen niet, ooit verwacht, maar onaangekondigd. Zoals een keer het geval was, alweer lang geleden, toen op een stormachtige avond plotseling de bijna legendarische Amerikaanse folksinger Pete Seeger binnenkwam. Samen met plaatselijke beroemdheden speelde en zong hij voor een aangenaam verrast publiek. Nog, als er over vroeger jaren gepraat wordt geldt deze spontane performance als een baken in de tijd: “Was het voor of na de avond van Pete Seeger?”

Die avond dat ik er was hield weinig beloften in. Het was stil en slechts enige rossige Ieren zaten 'm flink te raken. Niet ongezellig: een gesprek met een Ier lukt altijd wel en een praatje over het weer is niet voor de vaak, want het buitenleven is nog steeds erg belangrijk voor de Ieren.

Het gesprek met een kolossale, paarswangige veehandelaar is net op gang gekomen, of ineens begint vanuit het niets een accordeonist te spelen. In een hoek van de schemerig verlichte pijpela zit hij, de ogen half dicht en het hoofd schuin als een aandachtig luisterende vogel, een been op de bal van zijn voet ritmisch op en neer bewegend. Hij schijnt alleen voor zichzelf te spelen, want de harmonikaspeler hengelt bepaald niet naar de gunst van het publiek. Sommigen draaien zich een kwart slag om en kijken goedkeurend naar de muzikant. Een stamgast begint rondjes te geven, ook aan de "foreigner'. De Ier is geheelonthouder noch vermogend, maar hij wil niets terug, zeldzaam voor ons gierige Hollanders. Het enige dat hij accepteert is een Hollandse sigaar.

Na enige tijd voegt hij zich bij de accordeonist, ook volkomen onverwachts, een fiddler, niet zeer jong meer en met een apostelkop. Hij is vroeger Iers kampioen geweest op zijn instrument. Maar de muzikale verrassingen zijn nog niet van de lucht: een "spoon player' schuift geruisloos aan en levert slagwerk via twee lepels, die hij behendig op zijn knie tot ritme brengt. De drie muzikanten spelen vol overgave en in de pub groeit een onbeschrijflijk mooie sfeer, die bezit neemt van het inmiddels gegroeide aantal bezoekers.

Zo onverwacht als het optreden van de muzikanten is, zo voorspelbaar is de acute belangstelling uit de directe omgeving. Over hun muzikale actieradius zijn de muzikanten weinig mededeelzaam. Na enige aandringen zegt de "fiddler' “We just play when we are there...”

Maar àls ze er zijn, de plotselinge muzikanten, is de avond rijk; een spontaan, volwaardig muziekfestijn, waarvoor je geen kaartjes kunt bestellen. Het is echt overrompelend, zoals bij de Amerikaanse Ier, die even terug is van zijn emigratie en zijn tranen de vrije loop laat. “Oh boys, oh boys”, ontsnapt hem af en toe.

Dan ineens, na een trekkerige eindtoon vol weemoed van de harmonika, verstomt de muziek en de muzikanten lossen op. Abrupt einde van een onaangekondigd optreden, voor eigen en andermans genoegen.