Boston is geen schrikbeeld maar een voorbeeld

NRC Handelsblad-redacteur Joop Meijnen schreef onlangs over "het Boston-scenario als schrikbeeld', zich baserend op een lezing van R. Hazelhoff, de bestuursvoorzitter van ABN Amro Bank. De regio rondom Boston zou de laatste jaren in de problemen zijn gekomen door een eenzijdig op dienstverlening gebaseerde economische structuur. De boodschap van dit schrikbeeld is: Dat heb je er nu van als je de industrie verwaarloost. Maar de boodschap klopt niet.

Juist de regio rondom Boston is een sterke moderne industriële regio. Het was de plaats waar in een ver verleden de industriële revolutie in de VS het eerste tot stand kwam, met Boston als centrum van dienstverlening (handel, transport/haven, financiën). Na de Tweede Wereldoorlog volgde in diezelfde traditie de opbouw van high tech-industrie. Bedrijven als Digital en Wang bouwden de ene fabriek na de andere. Uit alle delen van de wereld kwam men kijken naar de successen van "Route 128'. De stad Boston zelf kreeg natuurlijk niet de industrievestigingen, maar maakte wel een bloei door wegens de financiële en zakelijke dienstverlening die met de high tech samenhing (het moderne venture capital werd in deze stad uitgevonden). Maar ook andere dienstensectoren deden het goed, zoals het hoger onderwijs, de gezondheidszorg en niet te vergeten het toerisme.

De vervlechting tussen diensten en industrie is in de regio Boston sterk doorgevoerd en bepaalt in belangrijke mate het economisch wel en wee. Weinig regio's ter wereld kennen zo'n gevarieerde en geavanceerde economische structuur als juist de regio Boston. Het vormt de ruimtelijke weerslag van de nieuwe economische complexiteit, die wordt gekenmerkt door "servuction' (Fr.: service-production), ofwel ketens van goederen en diensten die gezamenlijk bepaalde behoeften bevredigen. Een goed voorbeeld is de computerindustrie, c.q. -dienstverlening, waar immers een steeds grotere vervlechting optreedt van hardware- en software-ontwikkeling, -leverantie en -bedrijvigheid.

Nu krijgt de regio Boston klappen door de recessie in de VS, maar dat heeft niets van doen met een eenzijdige oriëntatie op diensten. Net als in Nederland zit de high tech-sector (industrie en dienstverlening) zwaar in de problemen. De regio van Boston wordt nog eens extra getroffen door de problemen van de in minicomputers gespecialiseerde ondernemingen (Data General, DEC, Wang). Het is juist de industrie die sterk in de problemen is geraakt. Maar ook de op export gerichte dienstensectoren (financiële dienstverlening bijvoorbeeld) zijn conjunctuurgevoeliger geworden.

Wat betekent dat nu voor Nederland? Is het zo dat een sterke industrie nodig is voor duurzame welvaartsontwikkeling in een regio of land? Het antwoord op die vraag is op zichzelf ontkennend: het gaat erom van elders voldoende inkomsten te vergaren ter compensatie van gewenste importen. In principe kan dat heel goed met een economie gebaseerd op bijvoorbeeld toerisme, transport/distributie en/of financiële diensten. Maar sluit zo'n oriëntatie ook aan bij het huidige profiel en de mogelijkheden van de Nederlandse economie? Dat is maar ten dele het geval, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de handelsbalans van de belangrijkste landen ter wereld.

Uit cijfers van de GATT blijkt dat de belangrijkste exporteurs en importeurs van zowel goederen als diensten steeds dezelfde zeven landen zijn. Nederland is nummer zeven op al die vier lijsten. Duitsland en Japan hebben een overschot op de goederenbalans, maar een tekort op de dienstenbalans, terwijl de VS, Engeland, Frankrijk en Italië juist een tekort hebben op de goederenbalans, maar een overschot op de dienstenbalans. Nederland bevindt zich als middelgrote economie dus in goed gezelschap, maar is bovendien het enige land in de top zeven met een positieve goederen- en dienstenbalans.

Het probleem zit in de samenstelling van het exportpakket. Dat blijkt onder meer uit de trage groei van de Nederlandse dienstenexporten gedurende de jaren zeventig, die ruimschoots achterbleven bij de groeicijfers van de andere landen met uitzondering van het economisch succes Engeland. De Nederlandse dienstenexport is kennelijk teveel gericht op minder sterk groeiende sectoren. De conclusie luidt dan ook dat terecht de laatste tijd zorg wordt geuit over het te eenzijdig georiënteerde exportpakket van goederen (bulkchemie, agrarische halfprodukten), maar dat hetzelfde ook geldt voor het exportpakket van diensten (teveel transport, te weinig kennisintensieve en andere snelgroeiende diensten). Die tekortkomingen hebben niets van doen met tegengestelde waardering voor, of uiteenlopende belangen van, industrie en diensten. Het is nodig aandacht te besteden aan "upgrading' van het exportpakket van goederen en diensten.

Fundamenteel voor het misverstand over de plaats van diensten - en dus van goederenproduktie - in de economie is de gedachte als zouden distributie en andere vormen van dienstverlening niet plaatsgebonden, eenvoudig inwisselbaar en in het algemeen van beperkte duurzame waarde voor een economie zijn. Als ik Hazelhoff goed heb begrepen, vindt hij dat de industrie veel waarde heeft, maar in Nederland niet de waardering krijgt, terwijl de distributie (de dienstensector) in Nederland veel waardering krijgt, maar eigenlijk van beperkte waarde is. Laten we vooral niet de waarde onderschatten van "zelfscheppende' dienstenclusters, bijvoorbeeld rondom Schiphol en Rotterdam, waarin juist nu enorme investeringen worden gedaan en nodig zijn.

Waarom is de produktie van goederen en diensten gebonden aan bepaalde lokaties en daardoor van meer of minder duurzame waarde voor de lokale of nationale economie? Naar aanleiding van de ontwikkeling bij Daf en Fokker wordt daarbij nogal sterk naar de eigendomsverhoudingen gekeken. Buitenlands eigendom wordt dan als bedreigend voor de continuïteit van de betrokken bedrijven en de daarmee samenhangende clusters gezien. Zo'n visie lijkt er van uit te gaan dat in de hoofdkantoren investeringsbeslissingen vooral worden ingegeven door politieke overwegingen, maar dat is natuurlijk in het algemeen niet zo. Het is doorslaggevend of een bepaalde vestiging of een bepaalde regio aantrekkelijk is om in te (blijven) investeren.

De beschikbaarheid van vooraanstaande technologie is heel belangrijk, maar het aanbod is lang niet zo plaatsgebonden als we lange tijd dachten. Het blijkt keer op keer dat investeringen in nieuwe technologie steeds eenvoudiger weglekken naar het buitenland. Daarom is het zo dat de concurrentieslag wordt gewonnen door succesvolle toepassingen van technologie, door de kennis en vaardigheden en de gedrevenheid om nieuwe technologische mogelijkheden op de markt te brengen. De consequentie daarvan voor het technologiebeleid is dat veel minder een aanbod- en veel meer een vraag- of marktbenadering moet worden gevolgd. Maar dan is het wel van belang om ons te realiseren dat die markt wordt gevormd waar de interactie met de klant tot stand komt: vaak in de dienstverlening, in supermarkten, warenhuizen, banken, postkantoren en vervoerbedrijven. Het technologiebeleid in Nederland kan derhalve profiteren van een benadering van de economie in termen van ketens van goederen en diensten die in onderlinge samenhang behoeften dekken van consumenten (zowel finaal als intermediair).

De regio Boston is gezegend met een kenniskapitaal dat telkens weer toepassingen vindt in industrie en diensten, daarmee nieuwe impulsen gevend voor welvaartsgroei. Dat is geen schrikbeeld maar een voorbeeld voor een geavanceerd economisch ontwikkelingstraject in ons land.

    • Mark de Jong
    • Tevens Werkzaam bij Tno