"Alles wat Servië is moet uit het lesprogramma'

In navolging van onder meer Zuid-Laren, is Hilversum de laatste opvangplaats voor Bosnische vluchtelingen waar Bosnische kinderen binnenkort onderwijs kunnen gaan volgen. Ook in opvangcentra in Schalkhaar, Roermond en Den Bosch wordt al basisonderwijs aan Bosnische kinderen gegeven.

ZUIDLAREN, 26 OKT. Voor het schoolbord staat een landkaart van het Middellandsezee-gebied. Avdia Avdic, leraar geschiedenis uit Prijedor, begint de les veiligheidshalve in het verre verleden. Sumerië, Mesopotamië, Assyrië, de piramiden en de mummies van de oude Egyptenaren. De Bosnische jongens en meisjes van zestien tot achttien jaar schrijven keurig over wat de profesor op het bord schrijft. “Cultuur is nog niet per definitie hetzelfde als beschaving,” zegt Avdic als hij het onderwerp "oosters despotisme" aansnijdt. Ik vraag me af of de kinderen daarbij moeten denken aan de middeleeuwse oorlogsbarbarij waaraan ze ternauwernood zijn ontsnapt.

In de legerplaats Zuidlaren, een van de vijf Nederlandse kazernes die zijn omgebouwd tot "tijdelijk opvangcentrum' voor Joegoslaven, is twee weken geleden de rust neergedaald. Met het openen van de school op het militaire terrein loopt Zuidlaren, waar op 3 augustus de eerste vluchtelingen arriveerden, op kop. Jacob Cats, directeur van de plaatselijke basisschool De Wel (180 leerlingen) kreeg er van de ene op de andere dag een nieuwe school met 120 buitenlandse leerlingen bij.

Met hulp van de gemeente - de kinderen zijn leerplichtig in Zuidlaren - werd in anderhalve week een school uit de grond gestampt. Het ontwikkelen van lesmateriaal voor deze kinderen is een spoedeisende operatie. Het Rode Kruis heeft voor vijfduizend gulden boeken gekocht in het voormalige Joegoslavië, maar die sluiten niet meer aan op de huidige situatie in dat land. “Alles moet eerst worden gescreend. Alles wat Servië is, moet eruit”, zegt H. Buunk, een Hilversumse onderwijs-ambtenaar.

Volgens Buunk had Hilversum in verband met de voorbereiding liever nog een paar maanden gewacht met de basisschool, maar dwong de toestand van de kinderen tot snel handelen. Buunk: “De kinderen krijgen last van psychische klachten. Ze vervelen zich en hebben een jaar onderwijs-achterstand.” Ook ontheemde Bosnische leraren gaan les geven aan de kinderen. De eerste vakken zijn praktisch Nederlands en oriëntatie op de samenleving.

Omdat de "ontheemden' in de toekomst terugmoeten naar huis, probeert de school zich zoveel mogelijk aan het Joegoslavische lesprogramma te houden. De kinderen krijgen certificaten, waarmee ze in theorie straks in hun vaderland verder kunnen leren. Hoewel Cats zelf zegt nauwelijks te weten waar hij aan begonnen is, is het eerste doel al bereikt: in de totaal verstoorde kinderlevens is weer enige regelmaat geslopen. Op schooluren is het stil op de legerplaats. De opkomst is groot.

De klas voor tienjarigen buigt zich over rekensommen. De kinderen werken stil door. Na enig vragen komen de tongen los. Over de vlucht, over het afgebrande huis, over de cetniks, over vader, die ergens aan het vechten is. “Ons huis is aangestoken, de cetniks hebben onze buren afgeslacht. We stonden in de straat en keken hoe ze de buren doodmaakten en in de rivier gooiden,” zegt Adisa. De vader van de zwartgekuifde Anis zit in Brcko. “Hij is soldaat in het Bosnische leger en schiet op de cetniks,” zegt hij stoer, maar hij mist zijn vader.

Alle kinderen hebben dezelfde drie wensen: dat de oorlog over is, dat vader terugkomt en dat ze naar huis mogen. Niemand wil soldaat worden. Als er eentje zegt dat hij het liefste cetniks wil doodmaken, roept de rest dat hij een domoor is. “De kinderen,” zegt Cats, “hebben de meest gruwelijke dingen meegemaakt. Langzaam komt dat los. Wij zijn geen psychiaters, dus hoe we dat moeten opvangen weten we niet precies. We hebben nog geen duidelijke gedragsstoornissen ontdekt, maar de situatie in Joegoslavië verslechtert met de dag. Als kinderen te horen krijgen dat hun vader is omgekomen, kan hun gedrag natuurlijk escaleren. We hebben absoluut professionele hulp nodig.”

De school werkt voorlopig met 14 Nederlandse leerkrachten, 8 uit de bewoners gerecruteerde leraren en 2 Nederlandse Joegoslavische onderwijzers. Het is geen sinecure. Er zijn nauwelijks tolken beschikbaar, dus de Nederlandse leraren moeten al hun creativiteit gebruiken om de kinderen te bereiken. Ze kunnen hun verhalen niet verstaan en dat maakt het onmogelijk om te reageren op stemmingswisselingen in de klas.

Onder de bewoners is enig ongenoegen ontstaan over het feit dat zoveel Nederlandse leraren zijn aangesteld. Sportleraar Ismet Sahinovic klaagt dat de ontheemden onbezoldigd moeten werken, terwijl de Nederlanders een goed salaris krijgen. Volgens hem zijn er in de legerplaats genoeg Bosniërs, die het onderwijs veel beter ter hand kunnen nemen. “Mijn stad Derventa is totaal verwoest, mijn huis is uitgebrand. Ik wil wel terugkeren, maar dan moeten ze me hier geld laten verdienen. Als ik f. 10.000,- kan sparen, kan ik een huis kopen in Zagreb. Nu heb ik niets om mee terug te gaan.” Cats erkent het probleem, maar volgens de wet mogen de ontheemden geen salaris vangen.

Terwijl hun kinderen op school zitten, verstellen drie vrouwen in de naaikamer hun kleren. Ze komen alledrie uit Brcko. Spraakzaam zijn ze niet. De ene loopt weg. “Ik wil er niet over praten,” zegt ze. De tweede zegt: “Ik ben een zenuwpatiënt. We leven op pillen. De kinderen mogen het niet merken. Ik denk alleen maar aan mijn man, die daar is. Terug kunnen we niet. Mijn stad is ingenomen door de cetniks. Ik kan het niet begrijpen, niemand had het slecht in Brcko. De haat moet van buiten zijn gekomen.”

De derde kijkt dof voor zich uit. Toonloos vertelt ze hoe ze met haar hele gezin is opgebracht door hun Servische buurman, met wie ze heel goed bevriend waren. “Eerst bood hij ons zijn schuilkelder aan, tegen de bombardementen. Daar heeft hij ons met zijn drieëndertigen zeven dagen vastgehouden. Toen kwam er een vrachtwagen, die ons naar het concentratiekamp bracht. Wat moet ik daarop zeggen? Mij hebben ze met veertien anderen na twee weken geruild voor het lijk van een gedode Servische generaal. Mijn man en de rest van de familie zit nog daar. Of ze nog leven weet ik niet.” Met haar drie kinderen kwam ze naar Nederland en ze weet niet hoe ze de dag moet doorkomen. Ze staat op en sloft naar de monter ogende vrijwilligster van het Rode Kruis, die wol en stoffen uitdeelt.

Vierhonderdzeventig "ontheemden' uit Bosnië wonen in de legerplaats Zuidlaren en er komen er nog dagelijks bij. De kazerne zou oorspronkelijk een asielzoekerscentrum worden, maar, vertelt adjunct-directrice Emmy van Kammen, daar had de bevolking van Zuidlaren groot bezwaar tegen. “Het hemd is kennelijk nader dan de rok, want op de Joegoslaven is wel heel positief gereageerd. Er worden hier enorme hoeveelheden kleren ingeleverd, terwijl de asielzoekerscentra overal elders in grote problemen zitten. Toch komt ook hier het roddelcircuit al op gang. Twee jongens hadden ingebroken, ze kregen een gevangenisstraf van tien weken, en nu hoor je in het dorp opmerkingen als "De Joegoslaven jatten'. Maar de kerk, de gemeente en de politie geven veel tegengas.”

Om vier uur zwermt de school uit. “Geschiedenis mag niet gepolitiseerd zijn,” zegt Avdia Avdic op de vraag hoe hij zijn leerlingen probeert te behoeden voor de verleiding van het nationalisme. “Geschiedenis is een kosmisch vak, dat geen tien of honderd, maar duizenden jaren bestrijkt. Ik moet de leerlingen bijbrengen dat er na perioden van oorlog, waarin de mensen elkaar haten, ook lange perioden zijn dat mensen elkaar liefhebben.”

    • Laura Starink