Zo was het

Het had iets middeleeuws, dat schaatsenrijden van ons op de IJsclub in Amsterdam. De waarachtige rijders kwamen daar natuurlijk niet. Die reden kilometers over de bevroren omliggende wateren van de stad. Een hand op de rug en dan links en rechts en vooruit. Maar vóór die wateren het schaatsen toelieten ging, zoals dat heette, "De IJsclub open'.

Middenin Amsterdam, tussen Rijksmuseum en Concertgebouw, hadden ze het gras laten onderlopen en daar kon je dus niet door het ijs zakken. Een dankbare gedachte voor de grootouders. Er speelde - in een tijd dat er nooit iets speelde - zachte muziek en in het midden van het bevroren land, door groen omgeven, was de krabbelbaan. Op de krabbelbaan werd gekrabbeld door beginners, veelal achter een enorme slee, van het soort dat je nu op Rie Cramerachtige kerstkaarten aantreft. De sleeën op de krabbelbaan waren echter niet mooi beschilderd: ze waren grauw gebeitst. Buiten de krabbelbaan, op de "grote' baan, werd wezenlijk geschaatst. Hand kruislings over hand of achter elkaar. Het soort verrukking, dat je als meisje had als je "achter een jongen' aan mocht en dan ook hier te vergelijken met de middeleeuwse maagd. Achterop het paard bij haar ridder.

De IJsclub werd aan de zijde van het Concertgebouw afgesloten door een houten gebouwtje, dat met een royaal gebaar "Het Clubhuis' heette. Voor het clubhuis waren houten treden waar je op ging zitten om je schaatsen onder te binden. Want niemand had schaatsen die aan laarzen vastzaten. Je droeg hoge schoenen en je schaatsen waren van hout met het rij-ijzer eronder en ze werden aan je schoenen vastgebonden met schaatsband. Oranje schaatsband. Het summum van jonkvrouwelijk genot was dan die voor je knielende jongen, die je schaatsen voor je onderbond. Hij reed dan meestal een paar baantjes met je, maar het bleef een schijn-huwelijk. Na een tijdje zei hij dat hij eens even verder ging.

Op die grote baan had je mannen die - in blauwe overalls gestoken en het hoofd bedekt met een genummerde pet - beschikbaar waren om, tegen vergoeding, mee te rijden. Mijn moeder werd daar geregeld mee gesignaleerd, maar als ze ons bespeurde, had ze de neiging een eind aan dat gehonoreerde samenzijn te maken en een van haar kinderen aan te roepen. Wij waren daar absoluut niet van gediend en maakten dat we uit het gezicht kwamen, elkaar waarschuwend met "moeder komt er aan'.

Verder hadden we het natuurlijk druk met het bespieden van IJsclubrelaties. “Die waren gisteren ook al samen”, zeiden we geheimzinnig tegen elkaar en als er toen al een roddelrubriek in een dagblad was geweest, hadden ze daar - de hele ijsclubtijd lang - stof gehad voor hun kolom.

Lid zijn van de IJsclub was niet goedkoop. Het hoofd van het gezin, die de contributie betaalde, had een rechthoekige zeer persoonlijke lidmaatschapskaart aan een knoopsgat van zijn jasje bengelen. Op die rechthoekige kaart kon hij ovalen kaarten krijgen voor zijn echtgenote en zijn kinderen. Andere relaties waren er eventueel wel, maar die waren er niet. Bij de entree van de IJsclub werden de kaarten streng gecontroleerd en als je je kaart had vergeten, moest je hem maar weer thuis gaan halen: geen onzin. Geen broeken ook voor de dameskaarten. Je reed in een rok met wollen lange kousen. Panty's bestonden niet. Nylon bestond ook niet. De onderbroeken onder je rok waren eveneens van wol en heetten directoires: degelijke charmeloze onderkleding, die dan ook geen lingerie heette maar ondergoed. Als de IJsclub open was, hadden de trams vlaggetjes aan hun trambeugels. Het hoofd van de school kwam klas voor klas vertellen als er "ijsvrij' was. En soms dan ook geen huiswerk. Zijn gang door de school werd begeleid door gejuich uit elke klas waar hij zijn blijde boodschap had gebracht.

Het IJsclubterrein is er, in Amsterdam, nog steeds. In de lente bloeien er duizenden crocusjes. Niemand weet wat de toekomst van het terrein zal zijn. Zoals gebruikelijk wordt, over die toekomst, al jarenlang ruzie gemaakt in de Raad.

    • Ina van der Beugel