WETENSCHAP

De wereld op z'n kop. Opmerkelijke verschijnselen in wetenschap en techniek door Maarten Evenblij 81 blz., Aramith 1992, f 10,- ISBN 90 6834 117 0

"Omgekeerde wereld', luidde het thema van de zojuist afgelopen wetenschap & techniekweek. Laboratoria openden hun poorten voor het grote publiek, eigenzinnige beroemdheden als Douglas Hofstadter (Gödel, Escher, Bach) en Gary Zukav (De dansende Wu Li-meesters) gaven lezingen en er waren speciale activiteiten voor schoolkinderen. Alles met het doel het imago van wetenschap en techniek op te poetsen. Dat is broodnodig. Wetenschap is saai en moeilijk, vinden velen, er gaat te weinig aantrekkingskracht van uit. Vandaar dat alle zeilen werden bijgezet om juist het spannende, het tegendraadse, het verrassende in wetenschap en techniek te benadrukken.

In dit kader past ook het boekje De wereld op z'n kop, dat door wetenschapsjournalist Maarten Evenblij speciaal voor de gelegenheid werd geschreven. Het is een raamvertelling. Een gezelschap Nederlandse wetenschapsjournalisten, op bezoek in de Verenigde Staten, hangt vanwege een storing op zijn kop in een opleidingssimulator voor atoomonderzeeërs en doodt de tijd met verhalen vertellen. Waarom een vlieg niet van het plafond valt, wetenschappelijk bedrog, reizen in de tijd, de noodzaak van zwaartekracht, matriarchaat, het absolute nulpunt, kaalheid, menselijke beslissingsstrategieën; om beurten wordt een staaltje vakkennis ten beste gegeven.

Deze opzet is aardig gevonden, maar het boekje had sterk aan overtuigingskracht gewonnen wanneer Evenblij zijn collega-journalisten wat meer spreektaal in de mond had gelegd. Een zin als ""De negentiende-eeuwse Oostenrijkse natuurkundige Ludwig Boltzmann kan ons helpen begrijpen dat in dat continuüm de tijd toch voortschrijdt' krijgt geen normaal mens over zijn lippen, ook al hangt hij enige uren op zijn kop in een Amerikaanse opleidingssimulator. Evenmin bevorderlijk voor de goede naam der wetenschap is het als journalisten stiekem een NASA-drankje krijgen toegediend dat inwerkt op hun zintuigen. Dit neemt niet weg dat de verhaaltjes beslist informatief zijn en dikwijls leuk om te lezen.

In zijn voorwoord klaagt Evenblij dat de moderne wetenschapper de tijd niet meer neemt om zich te buigen over de vragen van alledag. Zijn boekje wil in die leemte voorzien. Maar wat zijn dat: vragen van alledag? Hoeveel engelen er op de punt van een naald kunnen? Evenblij meent van wel, terwijl slechts een handjevol scholastici er zich druk om maakte. De mogelijkheid tot optische koeling? Onwaarschijnlijk, maar toch is het onderwerp in De wereld op z'n kop terug te vinden. Waarom een vlieg niet van het plafond valt? Maar daar is wel degelijk onderzoek naar gedaan, voldoende om er een hoofdstukje mee te vullen.

Evenblij vergist zich wanneer hij stelt dat de wetenschapper zichzelf geen "dwarse' vragen meer zou stellen. Dwarse vragen zijn van vitaal belang, zij helpen de wetenschap vooruit. Het probleem is alleen dat de specialismen dermate eng zijn geworden, dat het wetenschappelijk bedrijf bij alle technologische vernieuwing zozeer van het leven van alledag is weggegroeid, dat men als onderzoeker de grootste moeite heeft zijn dwarse vragen naar de leek te vertalen. Een goede wetenschapsjournalist schiet hier te hulp.

    • Dirk van Delft