Slachtoffers ramp zoeken elkaars steun in hotel

AMSTERDAM, 24 OKT. Een regenachtige vrijdagavond in een Amsterdamse buitenwijk, bij de RAI. "HOTEL' staat er rode neonletters op de muur van een hoge flat. Op het dak de naam: Novotel. Hier zijn slachtoffers van de ramp in de Bijlmer ondergebracht in afwachting van een nieuwe woning. Voor een deel zijn ze legaal, anderen verbleven hier illegaal. Ze woonden in de flat, of in de buurt daarvan. Nu wachten ze. Op erkenning of op een huis buiten de Bijlmer.

Harriët (26) woonde in Groeneveen. Twee dagen na de ramp is ze naar het crisiscentrum in de sporthal gegaan. “Ik durfde niet meer naar mijn huis, maar de woningbouwvereniging Nieuw-Amsterdam wilde me geen ander geven. Ik woonde te ver van de gevarenzone.” In de sporthal komt ze een vrouw tegen “van de deelgemeenteraad of zo”, die haar aanraadt een briefje bij de dokter te halen. Van de huisarts krijgt Harriët de medische indicatie waardoor ze wel in aanmerking komt voor een ander huis. Na enkele nachten in de Marinekazerne gaat ze naar het Novotel. “Als ik alleen was zou ik wel ergens anders naar toe kunnen, maar ik heb twee kinderen.” Ze heeft nu in Amsterdam-Noord een woning gekregen, die over drie weken vrijkomt. En waar ze heel blij mee is. “Maar ik heb geen geld om te verhuizen en ik durf mijn spullen niet te halen.”

Harriët is een Koerdische uit Turkije en woont acht jaar legaal in Nederland. Ze werkte op een peuterspeelzaal in Groeneveen. “Ik kende zo veel mensen daar. Er zijn ook kinderen van de peuterspeelzaal dood. Het is voor andere mensen niet te begrijpen. Als het makkelijk is, zijn er vrienden.” Ze zegt dat de lotgenoten in het Novotel elkaar opvangen. “We steunen elkaar. De officiële mensen willen alleen maar formulieren invullen.”

Op de twaalfde etage houden de instanties kantoor in een paar kamers. In de hal bij de liften zijn een stuk of tien formica kantinetafeltjes neergezet. Vier mannen zitten driftig te kaarten. Een groepje zwarte Afrikanen met glanzende gezichten staat bij elkaar. Een van hen legt uit dat ze illegaal zijn en wachten. Ze weten niet wat er met hen gaat gebeuren en doen er maar liever het zwijgen toe.

“Ik heb het gehoord op het nieuws, er zijn 1.500 mensen naar Amsterdam gekomen.” Een Tunesische jongen zit met een Egyptische kennis aan een tafeltje. Hij zegt dat hij op 12 oktober naar het Novotel is gestuurd. “Dat is al een week, nee langer.” Hij is illegaal en heeft in de anderhalf jaar dat hij in Nederland is weinig werk gehad. “Vijftienhonderd mensen, dat zijn er wel honderd in een flat, of veertig.” Hij blijft uitrekenen hoe onwaarschijnlijk het aantal mensen is dat naar Amsterdam is gekomen. “Uit België en overal. Wat denken ze wel, dat de politie hier gek is? Zestig mensen op een flat. De politie weet hier alles, de sociale dienst ook.” Hij heeft geen idee hoelang hij in het Novotel kan blijven.

Het gerucht gaat dat er op het kantoor een lijst met erkenden is, maar dat ze die nog niet willen laten zien.

Elmira, een jonge, vrolijke vrouw uit Marokko, komt erbij zitten. Ze lacht met iedereen. Terwijl ze een paar regels uit een Arabisch liedje zingt voor de Tunesische jongen, nadert Harriët haar van achteren en legt een hand op haar schouder. Elmira krimpt ineen van schrik. “Ik kan niet meer slapen. Ik droom elke nacht dat ik mezelf doodmaak. Dat is sinds toen.” Harriët is even bij haar kinderen wezen kijken die bij buren in bed liggen. “Ik heb vanmorgen gehoord dat iemand die ik kende uit de flat, is doodgegaan. Hij had brandwonden. Het is zo erg. Ik wil niet naar mijn flat. Ik begrijp al die mensen van de gemeente niet. Die vragen de hele tijd maar dingen. Die willen maar papieren invullen.”

    • Dirk Limburg