Politieke machtsstrijd heeft economie van "rijke' Angola verlamd

NAIROBI, 24 OKT. Zelden werd een economie jarenlang zo slecht beheerd als die van Angola. De bureaucratische wurggreep op alle economische activiteiten in naam van het marxisme, de rigide prijscontroles, de wijdverspreide corruptie en vooral de weigerachtige houding van conservatief-marxistische partij-ideologen om te hervormen, hebben evenzeer het potentieel rijke Angola helpen vernietigen als de burgeroorlog dat deed. De ingrijpende economische herstructurering zal een bijna niet op te brengen politieke wil van de nieuwe bestuurders eisen.

Angola balanceert op de rand tussen oorlog en vrede. De eerste méérpartijenverkiezingen eind vorige maand luidden vooralsnog geen tijdperk van vrede en heropbouw in. De uitslag wordt aangevochten door de verliezer, de voormalige guerrilla-beweging Unita. In de chaotische aanloop tot de verkiezingen het afgelopen jaar raakte de economie verlamd. Iedere beleidsmaker stortte zich in de machtsstrijd en had geen tijd voor andere zaken. Het land wordt leeggeroofd door diamantensmokkelaars, corrupte politici en gewapende bandieten, afkomstig uit zowel de rangen der ex-guerrillastrijders als uit het oude regeringsleger.

Gedurende de in 1975 begonnen burgeroorlog financierde de staat haar activiteiten met inkomsten uit de oliewinning. Na Nigeria is Angola de grootste olieproducent in zwart Afrika. De produktie zal eind dit jaar oplopen tot 540.000 vaten per dag. De voor de kust gelegen olieplatforms bleken onbereikbaar voor sabotage door Unita-rebellen.

De oliewinning dreigt inmiddels toch in gevaar te komen. Gebruikmakend van de politieke chaos in het afgelopen jaar voerden in Cabinda separatistiche rebellen van een factie van het Bevrijdingsfront voor de Enclave Cabinda (FLEC) onder N'Zitsa Hanriques Tiago de strijd op. Ongeveer 60 procent van 's lands olie wordt in Cabinda gewonnen en nieuwe olievelden daar moeten binnenkort in gebruik worden genomen. De separatisten krijgen naar verluidt steun van Kongo en Zaïre en volgens sommige bronnen ook van de Franse oliemaatschappij ELF.

Zowel de Unie voor de Totale Onafhankelijkheid van Angola (Unita) als de regering van de Volksbeweging voor de Bevrijding van Angola (MPLA) zijn tegen die afscheiding. Meer dan 90 procent van de nationale inkomsten in harde valuta komt uit de oliewinning. Zonder vrede in Cabinda kan Angola geen snelle start maken met het herstel van de economie.

Inkomsten uit Angola's tweede natuurlijke hulpbron, diamanten, zijn al even onzeker. In de regio rond de rivier de Cuango ten oosten van de hoofdstad Luanda bij de Zaïrese grens zoeken 50.000 illegale mijnwerkers in de drooggevallen rivier naar diamanten. Sinds een jaar is het bezit van diamanten niet meer illegaal in Angola. De speciale mijnpolitie van de staat functioneert nauwelijks meer. Volgens schattingen in Luanda bedraagt de waarde van deze illegale handel rond de 400 miljoen dollar per jaar. Het Zuidafrikaanse bedrijf De Beers, dat 80 procent van de wereldmarkt in diamanten controleert zag tot grote ergernis de internationale prijs voordiamanten dalen door deze smokkel (en door smokkel uit de voormalige Sovjet-Unie).

Angola beschikt over goede landbouwgronden en is dun bevolkt: tien miljoen inwoners op een grondgebied 35 maal Nederland. De infrastructuur op het platteland werd gedurende de oorlog in vele provincies goeddeels vernietigd. De bevolking raakte ontheemd en zocht veiligheid in de overvolle steden. Het aantal inwoners van Luanda bij voorbeeld groeide van een half miljoen rond de onfhankelijkheid tot 2 miljoen nu.

Was Angola voor de onafhankelijkheid een voedselexporteur, nu dient het tweederde van zijn basisbehoeftes aan voedsel te importeren. De nieuwe regering dient bijna één miljoen ontheemden van de oorlog te hervestigen, evenals 300.000 ex-vluchtelingen uit Zambia en Zaïre. Bovendien hebben tienduizenden gedemobiliseerde ex-guerrillastrijders en soldaten van het voormalige regeringsleger de hun toegezegde steun nog niet ontvangen. De onrust groeit onder deze gedemobiliseerde militairen en leidt tot gewelddadige incidenten zoals vorige week in het oostelijke stadje Luena.

De nieuwe regering zal de moed moeten opbrengen om het mes te zetten in het corrupte en overbemande overheidsapparaat, dat 57 procent van de nationale begroting opslokt. De MPLA-regering van president Eduardo dos Santos zal daarmee haar eigen aanhang benadelen. Alle functionarissen danken hun baan aan de MPLA en stemden daarom op deze partij.

Besnoeiingen, hoewel noodzakelijk voor een opleving van de economie, vallen nauwelijks meer te dragen voor de verpauperde bevolking. Van een gemiddeld maandsalaris valt één dag te leven. Na de eerste ingrijpende devaluaties van de kwanza, eerder dit jaar, liep de inflatie op tot 200 procent. Wanneer er op grote schaal ontslagen gaan vallen in het ambtenarenapparaat, neemt de werkloosheid nog grotere vormen aan. De politieke prijs voor de regering zal hoog zijn.

Na een valse start in 1987 neemt de regering van Dos Santos het liberaliseringsprogramma serieus. De prijscontroles op bijna alle produkten zijn opgeheven en de staatswinkels zijn vrijwel afgeschaft. De privatisering van 400 staatsbedrijven heeft een aanvang genomen. Het Internationale Monetaire Fonds prees deze eerste maatregelen, maar wil de periode na de verkiezingen afwachten alvorens het zich compromitteert in Angola.

Conservatieve en veelal corrupte partij-ideologen in de MPLA slaagden er sinds de in 1987 afgekondigde liberalisering in vergaande hervormingen tegen te gaan. Ze verdedigen bovenal hun eigen belangen. De centraal geleide economie gaf immers veel ruimte aan dieven en incompetente functionarissen. Er bestaan grote twijfels of de nieuwe regering de bezem door haar eigen gelederen kan halen.