Lombardi schildert drie herkenbare scenario's uit Peru.

Caidos del cielo, zondag Ned.3. 22.46-050.

In 1991 vertoonde het Filmfestival Rotterdam Caidos del cielo (Uit de hemel gevallen), de zesde speelfilm van verreweg de bekendste Peruaanse regisseur, Francisco J. Lombardi. Niet alleen de filmische kwaliteiten van Caidos del cielo gaven aanleiding tot de selectie: Lombardi had op basis van zijn script ook een bedrag van 10.000 dollar ontvangen van het Hubert Bals Fund, dat hij goed kon gebruiken. Van het budget van 300.000 dollar werd drie kwart opgehoest door de Spaanse televisie, de rest moest bij elkaar gesprokkeld worden uit schaarse middelen in een land waar nog meer dan bij ons de bioscopen gevuld zijn met Noordamerikaanse produkties.

Het oorspronkelijke scenario van Lombardi vertelt drie verhalen, die elkaar terloops kruisen, over slachtoffers van de economische, culturele en politieke crisis in het Peru van 1989. Intussen is de inflatie nog veel meer op hol geslagen, hebben de terroristen van Lichtend Pad alleen maar aan invloed gewonnen en schakelde de nieuwe president Fujimori de democratie uit. Lombardi vervaardigde geen politiek pamflet over uitbuiting en sociale tegenstellingen en schuwt al evenzeer melodrama en (neo)realisme. Eerder bedient Lombardi, die eerder een roman van Mario Vargas Llosa verfilmde (La ciudad y los perros), zich van zwarte humor en gruwelijke, maar paradoxale metaforen.

Geen van zijn helden beantwoordt aan de NOVIB-clichés over de Derde Wereld. Allen worden gedreven door egoïstische obsessies, die hen uiteindelijk te gronde richten, maar toch blijven het aardige en herkenbare mensen. Een ouder echtpaar, behorend tot de verarmde aristocratie, besteedt de huuropbrengst uit hun laatste huisjes en uit de verkoop van hun antiekverzameling aan de bouw van een mausoleum voor henzelf. Een bij wijze van huur ontvangen varken schenken ze aan een blinde ex-dienstbode. Ze hoopt uit de verkoop een oogoperatie te kunnen betalen, maar moet het dier eerst vet mesten. Daartoe worden twee kleinzonen dagelijks met emmertjes naar de vuilnisbelt gezonden en hardhandig afgebeuld. Ten slotte is er de presentator van een hoop-en-liefde-radioshow, die er in zijn privé-leven een potje van maakt. Hij denkt dat een litteken in zijn gezicht de realisering van zijn eigen amoureuze dromen verhindert, maar de liefde van het meisje dat hij van een zelfmoordpoging redt, loopt stuk op zijn eigen holle retorische praatjes.

Hoe afschuwelijk de armoede en morele ontreddering in Peru ook mogen zijn, de types die Lombardi schildert zijn universeel herkenbaar. De kantjes van hun ellende lijken wat scherper, maar de hypocrisie in de intermenselijke relaties valt met enige moeite heel goed te verplaatsen naar een andere cultuur.

    • Hans Beerekamp