Kosto trapt met vreemdelingenbeleid in zelfde val als Kohl

“Teveel vreemdelingen vragen hier om toelating”, zei staatssecretaris van justitie A. Kosto in een toespraak op 28 september (afgedrukt op de opiniepagina van 6 oktober). Sociale voorzieningen zijn schaars en zijn keuze is niet dat het voor de al aanwezigen dan maar wat minder moet. Restrictief toelatingsbeleid heeft als doel het beschermen van de welvaart en stabiliteit. Onbeheerste instroom leidt tot ontwrichting en desintegratie: kijk maar naar Duitsland. Bewoners van oude stadswijken gaan gebukt onder allerlei frustraties waardoor ze “scheldend verwijzen” naar de huidskleur of afkomst van hun buurtgenoten, maar zijn daarom nog geen racisten. Kosto suggereert een verband tussen vrouwenhandel en polygamie en vreemdelingen en dat vreemdelingen, zich beroepend op geloof of cultuur, vrouwen zouden mishandelen. “Hun totaal andere culturele herkomst en de belemmeringen op de weg naar integratie vormen als het ware een criminogene cocktail.” De staatssecretaris maakt alleen in het voorbijgaan een onderscheid tussen vluchtelingen en andere migranten.

Kanselier Kohl veroordeelt het geweld tegen vreemdelingen in zijn land, maar voegt daar steevast aan toe: maar het is waar dat er hier teveel vreemdelingen komen. De rechts-extremisten kraaien dan ook victorie: door onze acties gaat de regering eindelijk iets doen. De Nederlandse centrum-democraten schrijven in hun blad CD-info: “De argumenten, welke door uit het gareel springende jongeren naar voren worden gebracht zijn bekend en terecht. De toestromende vreemdelingen leggen beslag op huizen en banen”. Kosto dreigt met open ogen in dezelfde val te lopen als Kohl. Over de hoofden van zijn toehoorders heen tracht hij de agressie tegen buitenlanders bij het klassieke electoraat van zijn partij in de oude stadswijken toe te spreken. Dat in deze wijken de "losers' van onze samenleving wonen - Nederlanders en veel vreemdelingen - is een feitelijk gegeven. Begrip tonen voor het feit dat de Nederlanders hun frustraties afreageren ("schelden') op de vreemdelingen is wat anders. Hij gaat erg ver mee met vooroordelen over vreemdelingen die in sommige kringen leven. Ze doen aan polygamie, doen aan vrouwenhandel, mishandelen hun vrouwen omdat het mag van hun geloof of cultuur. Hij schroomt niet op dit punt in de kuil te vallen, waar Bolkestein net weer is uitgeklommen.

Het is belangrijk voor een staatssecretaris dat hij tracht te communiceren met delen van de bevolking, waarbij de frustraties zich opgehoopt hebben, die al te lang met van woede gebalde vuisten in hun zak hebben gelopen. Maar de prijs kan niet zijn dat men ook maar een centimeter mee gaat in hier en daar bestaande neigingen om naar beneden, naar de nog meer gedepriveerden te trappen.

Het gaat er niet om problemen met het vreemdelingenbeleid weg te masseren. Het gaat om de premissen van de behandeling van deze problemen. De grote achterstanden, die door krakkemikkig beleid in het verleden zijn opgelopen bij de integratie van vreemdelingen in de samenleving, blijken bij een rationele benadering het voornaamste probleem. Dat wordt niet opgelost door gedeeltelijk in te gaan op de argumentatie van de straat. Kosto keert zich tegen voorstanders van een "onbeheerste instroom', die onze welvaart en stabiliteit zou bedreigen. Maar wie staat zo'n onbeheerste instroom voor? Geen zinnig mens. Door zich tegen een imaginaire radicale tegenstander te keren wordt het hele betoog zeer defensief, niet op rationele oplossingen gericht.

Dat men in Duitsland in een zinloze strijd verwikkeld geraakt is over het schrappen uit de Grondwet van het recht op bescherming voor politiek vervolgden, in plaats van een versnelling van de jarendurende asielprocedure door te voeren, vindt voor een aanzienlijk deel zijn oorsprong in dergelijke defensieve betogen van politici. Daardoor wordt alles aan elkaar gekoppeld: de bescherming van politiek vervolgden, zoals vastgelegd in de Grondwet, het hele vreemdelingenbeleid en de agressie tegen vreemdelingen. Maar als de vreemdelingen er niet waren geweest (in Oost-Duitsland slechts 1 procent van de bevolking!), dan zou de agressie zich tegen andere kwetsbare groepen gericht hebben. Naast vreemdelingen worden nu immers ook joodse begraafplaatsen aangevallen. In die zin is er geen direct verband tussen de agressie en het vreemdelingenbeleid.

In de sociaal-democratische traditie was het beter te begrijpen geweest als Kosto wegen had gezocht om zijn beleid te verklaren voor zijn achterban en de bij die achterban klassiek aanwezige gevoelens van solidariteit met vervolgden had aangeboord. Wat de Duitsers hebben nagelaten heeft hij hier wel gerealiseerd: een versnelde asielprocedure met extra garanties wat de rechtshulpverlening aan asielzoekers betreft. Op dat wapenfeit had hij kunnen wijzen in plaats van de toestand in Duitsland min of meer als ons afschrikwekkend voorland te schilderen. Door aantasting van welvaart en stabiliteit en ander onheil op te roepen, bevordert hij juist de angst, die bij delen van de bevolking leeft.

Terecht stelt Kosto dat kwalificaties als "racisme' niet lichtvaardig gebruikt mogen worden. Maar waar vreemdelingenangst heerst is de overgang naar vreemdelingenhaat gemakkelijker, er is een vruchtbare bodem.

Tussen deze polen beweegt zich thans het asielbeleid: enerzijds pogingen om West-Europa af te sluiten, anderzijds het rationeel zoeken naar wegen om de zaak ten minste beheersbaar te houden. Het eerste is niet mogelijk zonder het opbouwen van een nieuw ijzeren gordijn. Het andere is een moeizaam zoeken en uitproberen van mogelijke oplossingen, ook van de problemen van degenen die gedwongen zijn tot migreren. Kosto komt op dat laatste punt niet verder dan het doorverwijzen naar ontwikkelingshulp.

Het asiel- en vreemdelingenbeleid in Europa wordt thans vooral gemaakt door grensbewakers. Het defensieve karakter zit er door deze invalshoek al vanaf het begin ingebakken. Naast het opzetten van snelle, met rechtsgaranties omgeven selectieprocedures, moet ook zorgvuldig worden onderzocht waarom mensen precies huis en haard verlaten. Een globale verwijzing naar hun armoede en onze welvaart lost niets op. De ervaring wijst uit dat de allerarmsten hier om voor de hand liggende redenen niet kunnen komen. En ook dat economische malaise niet voldoende reden is om weg te trekken.

Er zijn twee redenen waarom mensen huis en haard verlaten: omdat er directe honger heerst of omdat ze door geweld worden bedreigd. Vroeger was dat meestal geweld door een dictatoriaal regime, waartegen het Verdrag van Genève bescherming tracht te bieden. Nu komt daar steeds meer bij het geweld van strijdgroepen in landen waar geen regering meer is (Liberia) of waar staten uiteen vallen (Oost-Europa). In het zoeken naar oplossingen voor dergelijke situaties in een wereld die is volgestouwd met wapens ligt de echte uitdaging.

    • Frits Florin