KAREL DE KALE; Koning van het middeleeuwse machtsevenwicht

Charles the Bald door Janet L. Nelson 349blz., Longman 1992, f 47,10 ISBN 0 582 05584 9

The Annals of St-Bertin vertaald en geannoteerd door Janet L. Nelson 267 blz., Manchester University Press 1991, Manchester Medieval Sources series; Ninth-Century Histories, Vol. 1, f 41,05 ISBN 0 7190 3426 4

Een biografie van Koning Karel de Kale: is dat mogelijk als niemand er zelfs zeker van is dat de man werkelijk kaal was? Is dat doenlijk als er maar één brief over is waarvan vaststaat dat de tekst van hem is, en afbeeldingen en beschrijvingen van hem eerder de ideale vorst tonen dan Karel zelf?

De Londense mediaeviste Janet Nelson is zich van deze problemen terdege bewust, maar toch heeft ze met Charles the Bald het waagstuk van een biografie aangedurfd. Die vorm past bij de inhoud van vroegmiddeleeuwse studies, betoogt ze, want politieke macht was in die tijd een zaak van persoonlijke betrekkingen. Het karakter van een koning kon een rijk maken of breken. Maar vooral koos Nelson voor de biografie omdat deze aanpak nog steeds een groter publiek boeit dan welk ander historisch genre ook.

En inderdaad: al zijn de zieleroerselen van de Karolingische vorst niet meer te achterhalen, toch raakt men onwillekeurig betrokken bij zijn lotgevallen. Maar Charles the Bald biedt meer dan een traditionele levensschets. Binnen het kader van Karels wederwaardigheden beschrijft Nelson de mechanismen van macht en gezag, de contouren van koningschap en politieke cultuur in de tweede helft van de negende eeuw. Daarom gaat het haar in de eerste plaats, en slechts tussen de regels door werkt zij aan eerherstel voor een miskende vorst. Deze benadering werkt: het is een levendig en lichtvoetig boek geworden, waarin heel wat onomstotelijke handboekenwijsheid en passant naar de schroothoop wordt verwezen.

Karel de Kale was genoemd naar zijn illustere grootvader, Karel de Grote, en werd in 823 geboren uit het tweede huwelijk van diens zoon Lodewijk de Vrome. Hij was een streep door de rekening van zijn drie oudere half-broers. Al jaren voordat hij op het toneel verscheen, waren er tussen hun plechtige afspraken gemaakt over de wijze waarop het rijk verdeeld zou worden na de dood van Lodewijk. Karel was een koekoeksjong dat de verhoudingen danig verstoorde.

Lodewijk koesterde zijn jongste zoon echter als zijn oogappel, en wees hem een erfdeel toe, ten koste van de anderen. Dat leverde de keizer een reeks opstanden van zijn oudere zoons op. Een dieptepunt kwam in 833, toen Lodewijk gedwongen werd de status van publieke boeteling op zich te nemen, en de tienjarige Karel acht maanden gevangen zat in een klooster in de Ardennen. In de enige bewaarde zelf-gedicteerde brief herinnerde hij zich ""de behandeling van mij, een tienjarige, alsof ik enorme misdaden had begaan'' als de dag van gister.

Toen Lodewijk in 840 stierf, ontbrandde er een hevige strijd die in 843 uitmondde in het beroemde verdrag van Verdun. Het grote Karolingische imperium werd in drieën verdeeld, en Karel zou tot zijn dood in 877 heersen over het Westfrankische rijk.

BETREURD

Door sommige Franse geschiedschrijvers is Karel de Kale bejubeld als de eerste koning van Frankrijk, omdat de grenzen van zijn rijk ongeveer samenvielen met het gebied dat later die naam zou krijgen. Maar het negatieve oordeel had tot nu toe de overhand. Zelden is de geboorte van een koningskind door zoveel historici betreurd. De nieuwkomer verstoorde immers Lodewijks oorspronkelijke plan om zijn oudste zoon, Lotharius, als keizer over het gehele rijk te laten heersen, terwijl diens twee broers genoegen namen met een ondergeschikte positie. En daamee kwam de eenheid van het Karolingische rijk op losse schroeven te staan.

Verder was men het erover eens dat tijdens het bewind van Karel de Kale de aristocratie alle kans kreeg het koninklijk gezag te ondermijnen. Montesquieu wees hem al aan als hoofdschuldige van het verval der Karolingische orde. De koning was volgens hem de machteloze speelbal van locale potentaten, en had het glorieuze rijk van Karel de Grote in ongerede gebracht.

Hiermee was de slechte reputatie van Karel de Kale gevestigd - en het zou alleen maar erger worden. De maatstaven waarmee de geschiedkundige wereld lange tijd Karels bewind heeft gemeten, zijn die van de moderne nationale staat, en van de Franse laat-middeleeuwse monarchie. De koning gold hierbij als vertegenwoordiger van het publieke belang, strijdend tegen feodale anarchie belichaamd door de machtswellustige aristocratie.

Maar deze voorstelling van zaken doet geen recht aan het vroegmiddeleeuws koningschap. Op deze manier moet men wel tot de conclusie komen dat Karel "gefaald' heeft, terwijl het eigene van de toenmalige politieke orde buiten beeld blijft. Het is vruchtbaarder concrete vragen te stellen: was Karels streven naar consensus met de leidende aristocraten een zwaktebod, of was de persoonlijke loyaliteit van zijn getrouwen nu juist datgene dat zijn rijk op de been hield? Stond hij machteloos tegenover machtsconcentratie van adellijke families, of dankten individuele aristocraten hun opkomst - en soms hun verbluffend snelle en diepe val - juist aan hun directe connectie met de vorst?

Nelson laat in haar boek zien dat de koning inderdaad regeerde, al had dit weinig van doen met moderne noties omtrent "het besturen van de staat'. Het bouwwerk van Karels rijk werd gestut door een complex netwerk van ontelbare persoonlijke arrangementen. Persoonlijke banden met de vorst waren belangrijk voor wereldlijke en kerkelijke groten, en moesten voortdurend bezegeld worden door giften, militaire dienst, aanwezigheid bij rijksvergaderingen en andere bewijzen van trouw. De koning deelde daarbij gunsten uit, bovenal in de vorm van ambten en land, en draaide behendig aan het rad van fortuin waarop ambitieuze lieden klommen om er even snel weer vanaf te vallen.

STERK, MOEDIG, GENEREUS

Het is opvallend dat Karel altijd op precies dezelfde manier werd gekenschetst als zijn illustere grootvader: middelgroot, knap van uiterlijk, lichamelijk sterk, moedig, genereus, intelligent en een voortreffelijk spreker. Dit is het portret van een ideale heerser, niet van de man zelf. Toch schemert in contemporaine getuigenissen iets door van zijn persoonlijkheid. Een hoveling-abt vreesde zijn woede, en had heel goed door dat Karel zich charmanter voor kon doen dan hij zich in feite voelde. Diezelfde abt was gekwetst toen de koning ""niet genteresseerd was in dingen die mij ter harte gaan'' en gevleid toen de vorst hem persoonlijk had gevraagd wat hij van de predestinatie dacht.

Deze informatie komt uit brieven, waarvan er honderden zijn overgeleverd. Maar ook met geschiedschrijvers was de negende eeuw rijk gezegend. Een van de voornaamste bronnen voor dit tijdvak zijn de zogenaamde Annalen van Sint Bertijns. Deze benaming is misleidend: in feite gaat het om een officieuze geschiedschrijving van het Westfrankische rijk. Janet Nelson vertaalde dit werk kort geleden, en het is verhelderend haar biografie te lezen samen met deze belangrijke directe bron van informatie.

De Annalen vormen een fascinerend en vaak amusant relaas, vol onverwachte details. Zo kan men er de vroegste vermelding van het strijken van een hemd aantreffen, evenals het verhaal van Bodo, een diaken die bekeerd werd tot het jodendom door de joodse slaven die hij verhandelde. Vanaf 861 werden de annalen voortgezet door Hincmar, de aartsbisschop van Reims. Hij was een steunpilaar van Karel, die vaak in zijn omgeving verkeerde. Uit zijn pen vloeide een ooggetuigeverslag van negende-eeuws koningschap in actie.

Opvallend is Karels tomeloze energie. Hij was voortdurend onderweg om in persoon zijn gezag te doen gelden, en had zijn handen vol aan de verdediging van zijn rijk tegen de Vikingen. In de zomer van 865 marcheerde hij bijvoorbeeld aan het hoofd van zijn leger van Attigny naar de monding van de Seine, waar zich vijftig Vikingschepen hadden vertoond. Tot zijn ergernis raakte men onderweg door slordigheid van de bewakers korte tijd drie prachtige kronen en andere kostbaarheden kwijt. Het is goed mogelijk dat ze bestemd waren om de Vikingen af te kopen. Dat gebeurde met regelmaat, en mede hieruit blijkt dat de geldcirculatie veel groter was dan wel is verondersteld.

Maar in 865 was men uit op militaire confrontatie. Terwijl Karels vazal Robert in het Loiregebied de Vikingen verdreef, gaf de koning opdracht tot het bouwen van een fort bij de Seinemonding. In september achtte hij de kust veilig en trok hij zich terug om te gaan jagen. Maar dat was te vroeg. De versterkingen aan de oostzijde van de Seine waren onvoldoende bemand, met het gevolg dat tweehonderd Noormannen ongehinderd naar Parijs konden trekken, alwaar zij weinig meer schade aanrichtten dan het opkopen van de wijnvoorraden.

Hincmar is een formidabele auteur, en bovendien een kerkelijke potentaat die zijn misnoegen niet onder stoelen of banken steekt, of hij nu de koning of de paus tegenover zich vond. Hij raakte met Karel in conflict over een bisschopsbenoeming die de koning tegen zijn zin probeerde door te drukken, en stuurde een boodschapper met verzegelde brief naar Rome om zijn standpunt te doen zegevieren.

Maar hij had buiten Karel gerekend. De koning vergat alle loyaliteit die Hincmar hem in lange jaren betoond had (schrijft Hincmar), onderschepte de brief, en verving hem door een epistel met zijn eigen gezichtspunt en gaf die mee aan de boodschapper. Het is de vraag of dit verhaal klopt. Waarschijnlijk is het een van de voorbeelden van "Hincmar-gate', zoals Nelson de intriges van de aartsbisschop noemt. Wel maakt deze episode eens te meer duidelijk dat Karel voldoende ingevoerd was in de Latijnse schriftcultuur om correspondentie met de paus te lezen en brieven te dicteren.

ENERGIE

Het beeld dat uit deze boeken opdoemt is er een van een Karel die met onuitputtelijke energie zijn rijk bestuurde, goochelend met vele ballen tegelijk. De strijd tegen de Vikingen, opstanden van zoons en andere familieleden, het delicate machtsevenwicht met zijn "getrouwen', de machtige aristocraten: dit alles vergde zijn aandacht. Hij had een verbluffend talent om bijna kopje onder te gaan en toch weer boven te komen drijven. Niet voor niets waren David en Hercules zijn helden; beiden golden als voorbeeld van moed, en van volharding in tegenslag.

Tegen het eind van zijn leven slaagde Karel erin het Italiaanse deel van het Frankische rijk te bemachtigen, en daarmee de keizerstitel. Maar dit avontuur leverde hem behalve roem en eer ook malaria op. Hij probeerde nog terug te keren naar Westfrankische bodem en stuurde zijn echtgenote met de tekenen van koninklijke waardigheid vooruit naar zijn enige overgebleven zoon, die hem moest opvolgen. Het liefst wilde hij in Saint-Denis begraven worden, maar het reisgezelschap met de dodelijk zieke koning haalde dat doel niet. Karel stierf op 6 oktober 877 in een boerenhutje bij Briançon. Hincmar weet dit in zijn Annalen aan de poedertjes van ""zijn joodse arts Zedechias, die hij al te zeer lief had en vertrouwde'', en beschreef hoe het lijk werd vervoerd in een met pek en huiden verzegelde ton. Desondanks werd de stank te erg, en moest men Karel begraven in een onbetekenend klooster in Lyons. Later groef men zijn gebeente op, om het alsnog in Saint-Denis bij te zetten.

Met Charles the Bald heeft Janet Nelson niet alleen een uiterst leesbare koningsbiografie geschreven, maar ook het beeld van Karels koningschap en het Westfrankische rijk wezenlijk gecorrigeerd. Zo hebben generaties studenten geleerd de rijksvergadering van Quierzy in 877 te beschouwen als de bezegeling van vorstelijke onmacht. Karel beloofde toen dat de zoons van zijn vazallen hun vader mochten opvolgen, als deze tijdens zijn afwezigheid in Italië kwam te overlijden. De erfelijkheid van de lenen - en de onmacht van de koning - zou daarmee een feit zijn.

Nelson komt tot een geheel andere conclusie, en ik denk dat ze gelijk heeft. Opvolging van de oudste zoon bij leengoederen was allang gebruikelijk, maar dit betekende allerminst dat het een automatisme was. Koninklijke instemming bleef noodzakelijk, en juist daarom vaardigde Karel die bepalingen uit in Quierzy. Niet omdat hij machteloos stond tegenover zijn "getrouwen', maar omdat hij vreesde dat zijn zoon achter zijn rug om hun loyaliteit zou claimen door zelf lenen uit te delen.

Het Karolingische koningschap was bovenal een familiebedrijf. Zonder zoons sterven was rampzalig, maar doodgaan met teveel wettelijke nakomelingen was misschien nog erger. De regerende vaders trachtten met alle macht om hun zoons in te tomen tot gehoorzame en effectieve onderkoningen. Dit lukte niet altijd, en ontevreden koninklijke telgen werden gemakkelijk het brandpunt van een aristocratische opstand.

Dat die aristocraten uit waren op versterking van hun positie en landbezit, is duidelijk. Maar het proces van regionale machtsvorming kreeg onder Karel de Kale nog geen kans, al zou het snel na zijn dood inzetten.

LOYALITEIT

De hele rol van de negende-eeuwse adel komt trouwens in Nelsons werk in een nieuw licht te staan. Eigenbelang en publiek belang blijken heel wel samen te kunnen gaan; verslagen van rijksvergaderingen wijzen erop dat ""instemming van de getrouwen'' (consensus fidelium) door de betrokkenen serieus genomen werd, en geen teken hoefde te zijn van adellijke overmacht of vorstelijke onmacht. De aristocraten waren afhankelijk van wat Duitse historici "Königsnähe' genoemd hebben: zij moesten hun loyaliteit in persoon bewijzen. ""Hij is niet oud, maar lijdt vreselijk aan jicht'', schreef een koningsvazal dan ook schielijk ter verontschuldiging van een ver weg wonende collega die niet persoonlijk voor de koning verscheen.

Het nieuwe beeld van Karels rijk steunt ook op recent onderzoek naar de geldcirculatie en het gebruik van het schrift in het bestuur. Beide blijken van wezenlijker belang te zijn dan voorheen werd aangenomen. Om zich de Vikingen van het lijf te houden hief Karel een algemene belasting, en in 864 voerde hij een munt-hervorming door. Deze gegevens passen slecht in de gangbare voorstelling van de vroegmiddeleeuwse economie - evenmin als die Vikingen die uitstapjes naar Parijs maakten om wijn te kopen.

Het lijkt erop dat het perspectief op Karels regering is vertekend door wat er na zijn dood gebeurde. Zijn laatste jaren zijn daarom vaak in apocalyptische termen beschreven. Toch gedroeg hij zich zelfs in zijn sterfjaar niet als een koning met de rug tegen de muur. Hij greep alert zijn kans op het keizerschap, en ijlde vervolgens uit Rome weer huiswaarts om daar orde op zaken te stellen. Het lag niet aan hem dat hij tijdens zijn thuisreis zo plotseling ziek werd dat tijdgenoten vergiftiging vermoedden, en al evenmin dat zijn zoon en opvolger hem maar twee jaar zou overleven. Tot overmaat van ramp liet die zijn koninkrijk na aan twee minderjarige zoontjes, aan wie al evenmin een lang leven beschoren was. Toen pas raakte de precaire machtsbalans tussen aristocraten en vorst in het ongerede, maar hiervan was in Karels tijd nog geen sprake. Nelson voert hem terecht ten tonele als de laatste vertegenwoordiger van de Karolingische politieke orde: Carolus junior, een vorst die de naam van zijn beroemde grootvader met ere droeg.

    • Mayke de Jong