Jonge allochtonen vrezen gesloten grens voor partner; "Wil premier Lubbers dan dat ik van mijn man ga scheiden?'

In de politiek is de discussie over strengere regels voor gezinsvorming en -hereniging voor allochtonen opgelaaid. De onrust onder de "tweede generatie' is groot.

ROTTERDAM, 24 OKT. De 19-jarige Servet Colakoglu staart mismoedig voor zich uit. Hoe meer ze aan haar kettinkje friemelt, hoe stiller ze wordt. Ze woont in Nederland, ze is hier grootgebracht. Haar man woont in Turkije en ze wil hem naar Nederland laten komen, maar dat mag niet van de Nederlandse autoriteiten. “Wil Lubbers dan dat ik van mijn man ga scheiden”, vraagt ze aan Sengül Uslu, haar maatschappelijk werkster.

Uslu antwoordt niet. Directeur A. Azahaf van de stichting Hulpverlening Buitenlanders in Den Haag doorbreekt de stilte. “Alleen een demonstratie met ten minste 15.000 allochtonen zou helpen. Maar dat lukt toch niet. De mensen begrijpen niet wat er in Den Haag gebeurt, ze zijn bang”, zegt hij. Vanuit de directeurskamer van de stichting Hulpverlening is het torentje van premier Lubbers te zien.

Lubbers pleitte vorige week voor verscherping van de regels en PvdA-fractieleider Wöltgens zei de plannen “van harte te ondersteunen”. Een nieuw idee is dat kinderen voortaan binnen drie jaar uit het land van herkomst naar Nederland moeten worden gehaald. Verder wil de regerering bestaande regels strenger gaan hanteren. Zo moeten mensen die een partner of kinderen willen laten overkomen, een eigen inkomen op bijstandsniveau hebben en over voldoende woonruimte beschikken.

“Onmogelijk en puur discriminerend”, noemt Azahaf de eisen. Allochtonen van de tweede generatie bijvoorbeeld raken behoorlijk in de knel. Colakoglu is een typisch lid van die tweede generatie, waarvan er bij de stichting Hulpverlening steeds meer binnenkomen. “Allemaal mensen met psychosomatische klachten”, vertelt maatschappelijk werkster Uslu. “Zij werken zich over de kop om aan de eisen te kunnen voldoen.”

Met een MAVO-diploma op zak keerde Colakoglu in 1988 met haar ouders terug naar Turkije. Sinds haar baby-jaren had ze met haar ouders in Nederland gewoond. Ze sprak geen woord Turks toen ze in haar vaderland aankwam, ging daar desondanks naar de middelbare school en trouwde met een Turkse jongen. “Het was geen uithuwelijking”, zegt ze fel. “Dat komt bijna niet meer voor bij mensen van mijn generatie. We zijn uit liefde getrouwd - zoals het hoort.” Colakoglu was te "Nederlands' om aan het leven in Turkije te kunnen wennen. Vorig jaar keerde ze terug naar Nederland en ging aan het werk in het Westland. Na zeven maanden kreeg ze daar geen werk meer.

Het verzoek dat zij had ingediend voor een verblijfsvergunning voor haar man was inmiddels afgewezen door de Vreemdelingenpolitie in Den Haag. Azahaf schudt de vermoedelijke redenen uit zijn mouw: “Ze verdient te weinig en ze woont niet goed.” “Hoeveel moet ik dan verdienen”, vraagt Colakoglu. “Zeventienhonderd gulden per maand”, zegt Azahaf voorzichtig. Colakoglu schrikt. “In het Westland verdien ik negenhonderd gulden per maand, het minimum jeugdloon.”

De situatie waarin de 34-jarige Nurettin Dogan verkeert, is even uitzichtloos. Al vijf jaar woont en werkt hij in Nederland, zijn vrouw en kinderen wonen nog in Turkije. In het Westland verdiende hij 1.900 gulden per maand. In september werd hij ziek. Hij had zich volgens de maatschappelijk werkster volkomen overwerkt om aan de inkomenseis te voldoen en tegelijkertijd zijn gezin te onderhouden. Zijn verzoek om gezinshereniging werd onlangs afgewezen. Dogan woont in een pension en moet eerst een vijfkamerwoning zien te vinden voordat zijn gezin mag komen. “Lukt het hem niet binnen drie jaar een huis te vinden, dan kan hij het wel vergeten volgens de nieuwe regels. Belachelijk natuurlijk, want het duurt in Den Haag zo'n vijf jaar voor je zo'n woning krijgt”, zegt Azahaf fel.

Als hij van de dokter weer mag werken, wil Dogan toch weer aan de slag. “Ik heb altijd gewerkt, ik ga gewoon door”, zegt hij. Hij zegt niet te willen eindigen als zo veel vrienden die in dezelfde situatie zitten en alle hoop hebben opgegeven.

A. Alhadaui (46) ziet de "hopelozen' dagelijks langs zijn reisburaeau slenteren. Alhadaui komt uit Marokko, maar woont al 26 jaar in Nederland. Zijn reisbureau is aan de Hoefkade in Den Haag, een straat waar nauwelijks Hollandse winkels te vinden zijn. Het is er een aaneenschakeling van islamitische slagerijen, Turkse en Marokkaanse theehuizen en exotische eettentjes. In de anonimiteit van de theehuizen praten Alhadaui's buurtgenoten over de problemen die zij hebben met gezinshereniging en de Vreemdelingenpolitie. Van wat er op het Binnenhof allemaal wordt besloten en bekokstoofd, begrijpen zij helemaal niets, volgens de reisbureau-directeur.

Bijna dagelijks krijgt hij mensen over de vloer die hals over kop reizen willen boeken om hun gezin te laten komen. Alhadaui fungeert in zulke gevallen als een soort buurtwerker. Hij vertelt de mensen dat ze er beter nog even over na kunnen denken, dat het slechts om politieke plannen gaat. En als hij ze niet kan helpen, verwijst hij de mensen naar professionele hulpverleners. Azahaf van de stichting Hulpverlening: “Wij kunnen met ze praten, maar vaak is het ook onze taak om de mensen te vertellen dat hun situatie nog uitzichtlozer is dan ze al dachten. Want die kabinetsplannen gaan gewoon door. De PvdA gaat voor de allochtonen echt geen kabinetscrisis riskeren.”

    • Marco van Barneveld